Het onderwijs in vorige eeuwen

Kort

Tot aan de negentiende eeuw kwam het dikwijls voor dat de leerkracht de leerlingen in zijn eigen woning verzamelde. De beschikbare ruimte is meestal beperkt. Er is weinig of geen didactisch meubilair: een lessenaar of een zetel, een zwart bord, enkele boeken... De leerlingen houden zich rechtstaand of zittend bezig: de ene leest, de andere schrijft, ... Het komt in onze ogen erg chaotisch over. De scholen op het platteland zijn gemengd. Kinderen van verschillende leeftijd werken in hetzelfde lokaal. Het onderwijs is vaak op herhaling gebaseerd en concentreert zich op godsdienstonderwijs, lezen, soms schrijven en rekenen. Zelden duurt een schooljaar langer dan zes maanden (van Allerheiligen tot Pasen). Kinderen zijn frequent afwezig als ze thuis in het huishouden of op het land moeten helpen. Dat betekent in praktijk individueel onderricht: verschillende vorderingen, onregelmatig onderwijs, leemten die bijgewerkt moeten worden.

Vele leerkrachten in die tijd zijn niet echt bekwaam. De lage bezoldiging dwingt de onderwijzer trouwens tot een bijtaak of het uitoefenen van een tweede beroep: klerk, koster, herbergier ... De kinderen dragen bij in de onkosten: ze brengen bijvoorbeeld hout mee voor de verwarming van het lokaal.

Soms namen enkele vrouwen in de gemeente het initiatief om te onderwijzen.

Zo heeft ook de meesteres (zie op het schilderij) in haar huis een vertrek 'ingericht' als klaslokaal. Zij leert de kinderen in één winter het alfabet. De volgende jaren worden besteed aan het spellen, nadien aan het lezen van de moeilijk leesbare Gotische lettertekens. En als men veel geluk heeft omdat de leerkracht zelf een schrijfveer kan maken en hanteren, komt daar nog schrijven bij.

De Latijnse school was in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw opgericht door de (grotere) gemeente, door een orde, de kerk (kapittel), het bisdom enz.. Enkel betalende leerlingen kregen toelating tot de latijnse school. Het waren leerlingen die bv. Latijnse grammatica in elementaire vorm aankonden. Zo hielden paters een Latijnse school open in Leuven op de plaats waar nu de torengebouwen van Sint-Maartensdal staan. Deze Latijnse school werd decennia lang gepatroneerd door de Leuvense universiteit. De rector recruteerde uit deze en andere Latijnse scholen in Vlaanderen, Wallonië, Holland en andere streken discipelen voor de universitaire studies van Latijn, rechten, geneeskunde.

Iemand die in de derde Latijnse zat, kon veel ouder zijn dan een andere leerling die al aan de universiteit lesvolgde.De Latijnse school was opgedeeld in vijf à zes jaarklassen ( dit zijn niveauklassen op basis van de leerstofvordering) en volgde niet zoals men denkt op de lagere school. Zij stonden los van elkaar en waren niet leeftijdsgebonden.

Tot diep in de twintigste eeuw noemt men de lagere school, verbonden aan een college (met middelbaar onderwijs), voorbereidende afdeling (eindigend met een zevende leerjaar om de (vermeende) kloof tussen dorpsscholen en studies aan het college te dichten.

In de negentiende eeuw kwam de Latijnse school nog als dominerend type van middelbaar onderwijs voor: het zal duren tot in de tweede helft van de negentiende eeuw vooraleer het monopolie van de oude humaniora-scholen (de vroegere Latijnse school) doorbroken wordt wanneer moderne humaniora-afdelingen en technische afdelingen in aantal toenemen. Tot in de jaren 60 van vorige eeuw blijft het beroeps- en technisch onderwijs een compleet aparte sector in het onderwijslandschap. Momenteel ressorteren alle onderwijsvormen onder de minister van onderwijs. Maar bijvoorbeeld landbouwscholen zijn tot in de dertiger jaren van vorige eeuw door het ministerie van landbouw gecontroleerd. In de jaren '70 is uitsluitend de minister van cultuur bevoegd voor het kunstonderwijs.

Middelbaar onderwijs voor meisjes was langetijd elitair en werd uitdrukkelijk gescheiden van het onderwijs voor jongens. We illustreren dat even. Beroepsopleidingen voor meisjes werd in 1924 onderverdeeld in specialisaties (stenodactylo, onderwijzeres, kleermaakster, bediende en kokkin) die niet toegankelijk waren voor jongens. Veel vrouwen geboren rond 1920 moesten thuisblijven om hun broers de kans te geven verder te studeren., áls men dat in het gewone gezin al belangrijk vond. Hoger middelbaar onderwijs voor álle meisjes werd officieel aangeboden in 1925. De Leuvense universiteit laat pas in 1920 meisjes toe, onder beschermende voorwaarden (= de peda's). Men zal tot in de jaren 60 van de twintigste eeuw moeten wachten vooraleer het onderwijs op alle niveaus hefboom tot emancipatie en maatschappelijke vooruitgang wordt.

 

TERUG