3.

BASISCOMPETENTIES

3.1 Wat zijn basiscompetenties?

De basiscompetenties worden gedefinieerd als volgt:

de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes, waarover iedere afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier als BEGINNENDE leraar te kunnen fungeren. De basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel.

 

3.2 Structuur van de basiscompetenties

De basiscompetenties vertrekken van de drie clusters van verantwoordelijkheden van de leraar. De verantwoordelijkheden worden ingedeeld in functionele gehelen.
De functionele gehelen bevatten de vaardigheden die inhoudelijk met elkaar verwant zijn. Met het oog op de te bereiken vaardigheden zijn daarbij kenniselementen geformuleerd. De attitudes zijn de beroepshoudingen.

 

 

3.3 Algemene uitgangspunten

3.3.1 Verruimde opvatting over professionaliteit

Bij de profielontwikkeling stond, tegen de achtergrond van de complexiteit van het beroep, een verruimde professionaliteitsopvatting centraal, waarbij een leraar kritisch is, reflecteert over zijn beroep(suitoefening) en in staat is gefundeerde en verantwoorde beslissingen te nemen. De professionaliteit is naast verruimend ook blijvend, omdat ze gericht is op het maximaal ontwikkelen van de zelfsturingscapaciteiten van de leraar.

In dit professioneel ontwikkelingsproces van de leraar wordt vooral de nadruk gelegd op:

- (zelf)verantwoording
- een visie op onderwijs
- verantwoordelijkheid dragen voor conceptie en uitvoering van onderwijs
- vakoverschrijdend werken
- autonomie, complementair aan collegialiteit en samenwerking
- permanent leren

De profielen richten zich dus o.m. op verantwoordelijkheid en zelfontplooiing van de leraar en diens actieve bijdrage aan het onderwijs. Dit zou men kunnen samenvatten onder de noemer emancipatorische visie. De bijdrage van de leraar en de school is evenwel gesitueerd binnen een door de overheid bepaald kader waarbij men bijvoorbeeld rekening moet houden met eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Dit gegeven illustreert de maatschappelijke opdracht van de overheid en van de leraar.

 

3.3.2 Accentverschuivingen in onderwijsprincipes

Een belangrijk element van de onderwijsvisie wordt ook gevormd door de uitgangspunten zoals die in de algemene toelichting bij de eindtermen zijn beschreven. Naast het waarborgen van een brede en harmonische vorming gaat het om en aantal onderwijsprincipes, die alle de nadruk leggen op een actief en constructief leren door de lerende binnen een door de leraar georganiseerde krachtige leeromgeving. Ze zijn geformuleerd onder de vorm van tegenstellingen op een schaal. In feite gaat het om verschuivingen van de ene naar de andere pool:

specialisatie => algemene vorming

zuivere kennis => toegepaste kennis

cognitief leren => harmonische vorming

vakgerichte ordening => totaliteitsonderwijs

sequentiële opbouw => exemplarisch onderricht

korte termijnleren => beklijvend leren

 

 

3.4 Uitgangspunten bij de specifieke basiscompetenties van de leraar secundair onderwijs groep 1

De vaardigheden voor de leraar secundair onderwijs groep 1 omschrijven het gehele spectrum van zijn inzetbaarheid. Toch is het zinvol de aandacht te vestigen op de specificiteit van de B-stroom en van het BSO/DBSO. Van de leraar die les geeft aan deze leerlingen wordt verwacht dat hij extra aandacht heeft voor een adequate didactisch-pedagogische aanpak. Project-, geïntegreerd, thematisch en praktijkgericht onderwijs kunnen hiertoe een belangrijke bijdrage leveren. De leraar hanteert een onderwijsstijl die erop gericht is het zelfvertrouwen, de weerbaarheid en een positief zelfbeeld bij de leerlingen te ontwikkelen. Kennis van de jongerencultuur, van de eigenheid van deze leerlingengroepen, van de studierichtingen in het BSO, van de arbeidsmarkt en van de beroepssector zijn onmisbaar. Een degelijke kennis van en vaardigheid in het hanteren van remediëringsstrategieën kunnen eveneens bijdragen tot succesvol onderwijs aan deze leerlingen.

Van de leraar technische en praktische vakken worden aanzetten verwacht voor vaardigheden met betrekking tot het inrichten van lokalen, aankoop en onderhoud van apparatuur en/of machines, contacten met de bedrijfswereld en het organiseren van stages. Het kunnen begeleiden van de leerlingen bij de geïntegreerde proef behoort eveneens tot die aanzetcompetentie van deze leraar. De in het beroepsprofiel vermelde vaardigheden worden voor de beginnende leraar op een initiële wijze aangeboden.

Ook de leraar in het KSO dient rekening te houden met de eigenheid van deze onderwijsvorm. Leerlingen worden benaderd vanuit een artistieke invalshoek en vanuit de artistieke beroepsprofielen. De pedagogisch-artistieke begeleiding maakt een meer individualiserende benadering van elke leerling noodzakelijk, gericht op het ontwikkelen van specifieke attitudes en vaardigheden zoals o.m. gevoel voor improvisatie, verbeeldingsdrang, zin voor originaliteit en voor individuele expressie. Hierbij worden specifieke didactische werkvormen en onderwijsleersituaties aangewend. Er wordt grote nadruk gelegd op het procesmatig karakter van dit onderwijs en op gerichte training.

Een aantal leraren zal in het buitengewoon onderwijs fungeren. Zij moeten rekening houden met de eigenheid van dit onderwijs en van deze leerlingen. Het lijkt dan ook aangewezen om tijdens de opleiding de nodige noties bij te brengen om leraren toe te laten te starten in een dergelijke functie. Specifiek voor de opvang van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs en voor leerlingen met speciale opvoedings- en onderwijsbehoeften is de kennis van het concept en het proces van handelingsplanning. De leraar kan een handelingsplan in overleg met het multidisciplinair team hanteren. De leraar heeft noties van orthodidactisch en orthopedagogisch handelen en van de specifieke en flexibele organisatievormen in het buitengewoon onderwijs. De essentiële vorming zal evenwel bestaan in een voortgezette opleiding voor leraar buitengewoon onderwijs.

Voor sommige vaardigheden kan de beginnende leraar een beroep doen op de kennis en de ervaring van schoolteam of van andere deskundigen. De nadruk op overleg wijst echter niet op het lagere beheersingsniveau dat van de beginnende leraar wordt verwacht. Voor verschillende vaardigheden is dit overleg essentieel om een door het hele schoolteam gedragen benadering van de lerenden mogelijk te maken. Tegen deze achtergrond moet de toevoeging 'in overleg' worden gelezen.


3.5 Basiscompetenties voor de leraar secundair onderwijs groep 1

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 1

DE LERAAR ALS BEGELEIDER VAN LEER- EN ONTWIKKELINGSPROCESSEN

 

Vaardigheid 1.1

De beginsituatie van de leerlingen en de leergroep achterhalen.

De leraar kan leerlingkenmerken van de leerlingen en de leergroep in overleg achterhalen. Hij kan tevens de heterogeniteit van de B-groep, in overleg, in kaart brengen met behulp van CLB-centra.

De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van de leerlingen en de leergroep en de werkwijzen om die te achterhalen.

 

Vaardigheid 1.2

Doelstellingen kiezen en formuleren

De leraar kan doelstellingen kiezen op basis van het leerplan waarin de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vervat zijn, het pedagogisch project en/of het schoolwerkplan. Voor leerlingen met speciale opvoedingsbehoeften kan de leraar met het hem aangereikte handelingsplan omgaan. Hij kan tevens doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de kenmerken van de leerlingen en de groep. Hij kan doelstellingen ook situeren in bestaande leerlijnen. Waar er onderscheid is tussen basisdoelstellingen en uitbreiding kan de leraar dit aanduiden op basis van de hoger vermelde documenten. De leraar kan doelstellingen concreet en operationeel formuleren. Rekening houdend met de plaatsing van leerlingen in de heterogene B-groep, kan de leraar diverse programmalijnen na overleg aanbieden voor overgang naar de A-groep en naar vormen van voorbereiding op een beroepskwalificatie.

De ondersteunende kennis omvat de leerplannen en de eindtermen/ontwikkelingsdoelen, het proces van handelingsplanning evenals de techniek van formulering en van eenvoudig klasseren van doelstellingen.

 

Vaardigheid 1.3

De leerinhouden selecteren.

De leraar kan keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de criteria van de beginsituatie, met de maatschappelijke relevantie, met de beschikbare tijd en hulpmiddelen.

De ondersteunende kennis omvat de leerplannen en geschikte informatiebronnen over de leerinhouden.

Vaardigheid 1.4

De leerinhouden structureren en vertalen in opdrachten.

De leraar kan de leerinhouden vertalen in opdrachten die aansluiten bij de leefwereld, motivatie en capaciteiten van de leerlingen. Hij kan, naargelang het geval, de leerinhouden opdelen in deelleerstappen, gedifferentieerde opdrachten ­ zinvol voor alle leerlingen -, thema's en projecten, al dan niet vakoverschrijdend. Hij kan tevens remediërende opdrachten in het leerproces inbouwen. De leraar kan het verband leggen tussen verschillende vakgebieden, zowel horizontaal als verticaal.

De ondersteunende kennis omvat vormen van ordening zoals cursorische, exemplarische. Ze omvat eveneens verwantschappen tussen het eigen vakgebied en andere vakgebieden.

 

Vaardigheid 1.5

Een aangepaste methodische aanpak en groeperingsvormen bepalen.

De leraar kan (multimediale) werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen, rekening houdend met individuele verschillen. Hij kan gepaste groeperingsvormen kiezen, een aangepaste ruimte creëren en een goede timing bepalen.

De ondersteunende kennis omvat diverse werkvormen en combinaties daarvan, rekening houdend met een gedifferentieerde aanpak en met een kritisch gebruik van nieuwe multimediale mogelijkheden.

 

Vaardigheid 1.6

In teamverband leermiddelen kiezen en aanpassen.

De leraar kan in teamverband informatie over leermiddelen terugvinden en raadplegen ­ onder meer met behulp van informatietechnologie -, rekening houdend met de specifieke noden van de doelgroep en van individuele leerlingen. Desgevallend kan hij ze ook aanpassen.

De ondersteunende kennis omvat relevante bronnen om leermiddelen te vinden evenals criteria om ze te beoordelen.

 

Vaardigheid 1.7

Realiseren van een adequate leeromgeving.

De leraar kan motiverende leeromgevingen ontwerpen, rekening houdend met de beginsituatie, met een mogelijke succesbeleving van de leerlingen en met de contexten waarin ze later hun kennis en vaardigheden zullen moeten toepassen. De leraar geeft de leerlingen de gelegenheid leerinhouden actief te ontdekken en te verwerken en leert ze nadenken over hun leerproces.

De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van een adequate en motiverende leeromgeving, inclusief de rol van een aangepast taalgebruik daarin.

 

Vaardigheid 1.8

Observatie / evaluatie voorbereiden.

De leraar kan in overleg doelstellingvalide, gedifferentieerde en aangepaste vragen, taken en opdrachten onder diverse varianten kiezen en eventueel opstellen. Wat het observeren betreft, kan de leraar in overleg met collega's observatie-instrumenten kiezen en desgevallend opstellen. Hij kan de functie van een specifiek evaluatiemoment bepalen. Mits ondersteuning kan hij beoordelingscriteria bepalen.

De ondersteunende kennis omvat evaluatietechnieken en ­instrumenten, (leerling) volgsystemen en een visie op evaluatie in functie van bijsturing en remediëring.

 

Vaardigheid 1.9

Observeren/proces en product evalueren.

De leraar kan op systematische wijze gegevens verzamelen via toetsen, observaties, zelfevaluatiegegevens van de leerling en gesprekken. Verder kan de leraar de vorderingen en prestaties correct interpreteren en beoordelen. De leraar kan, weliswaar met ondersteuning van het team, adviezen geven over de voortgang van de leerlingen in hun schoolloopbaan en/of naar de arbeidsmarkt. De leraar kan adviezen voor remediëring voorstellen. Hij kan studieresultaten rapporteren en bespreken. Hij kan tevens reflecteren op het eigen onderwijsgedrag en het eigen handelen bijsturen.

De ondersteunende kennis omvat evaluatietechnieken en ­instrumenten, (leerling) volgsystemen en een visie op evaluatie in functie van bijsturing en remediëring, de techniek van foutenanalyse en van zelfevaluatie. Ondersteunende kennis is tevens de structuur van het voorafgaand en het volgend onderwijsniveau en van het buitengewoon onderwijs met het oog op (her)oriëntering en eventuele samenwerking.

 

Vaardigheid 1.10

De heterogeniteit van de B-groep in kaart brengen met behulp van CLB-centra.

De leraar, met zijn team, overlegt met het CLB-centrum om de beginsituatie van de leerlingen te bepalen. De leerlingen worden opgedeeld in doelgroepen op basis van hun didactisch niveau en leergeschiktheid. De leraar kan aldus inspelen op de behoeften en mogelijkheden van de leerlingen.

Ondersteunende kennis omvat de parameters voor het bepalen van het didactisch niveau, leergeschiktheid en soorten doelgroepen in de B-groep.

 

Vaardigheid 1.11

Rekening houdend met de plaatsing van leerlingen in de heterogene B-groep, diverse programmalijnen kunnen aanbieden voor overgang naar de A-groep en voor vormen van voorbereiding op beroepskwalificatie.

De plaatsing van de leerlingen in groepen gebeurt door het CLB. De leraar kan zijn activiteiten afstemmen op de doelgroep(en) waarmee hij geconfronteerd wordt. Hij kan afhankelijk van de doelgroep(en) verschillende leerprogramma's aanbieden.

Ondersteunende kennis omvat soorten doelgroepen in de B-stroom en methoden / werkvormen voor leerlingen met leermoeilijkheden.

 

Vaardigheid 1.12

Opzetten van leer-en ontwikkelingsprocessen vanuit een vakoverschrijdende invalshoek.

De leraar kan, in samenwerking met het schoolteam, projecten opzetten, uitbouwen en realiseren waarin leerinhouden uit verschillende vakken geïntegreerd zijn. Hij kan overleggen met het schoolteam over een gezamenlijke aanpak van aspecten van leren leren en van evaluatie. Hij is op de hoogte van de voortgang van de leerlingen in andere vakken. Hij kan eigen vakinhouden met elementen uit andere disciplines verbinden.

De ondersteunende kennis omvat de voorwaarden voor uitvoering van interdisciplinaire projecten en kennis van inhouden, structuur en heuristieken van verwante disciplines.

 

Vaardigheid 1.13

Evalueren met het oog op integratie in het arbeidsproces.

Op basis van evaluatiegegevens en kenmerken van de lerende geeft de leraar, in overleg met schoolteam en CLB/MST, advies over aangepaste instapmogelijkheden in het arbeidsveld. Hij kan informeren over beroepsvereisten en tewerkstellingsmogelijkheden in domeinen die aansluiten bij de studierichting van de leerlingen. Hij legt hiertoe contacten met het socio-economisch veld.

Ondersteunende kennis omvat kennis van aansluitende beroepsprofielen en van tewerkstellingsmogelijkheden.

 

Vaardigheid 1.14

Leerlingen begeleiden bij het realiseren van de geïntegreerde proef.

De leraar kan, in samenspraak met het schoolteam en externe deskundigen, bijdragen tot het uitbouwen van een geïntegreerde proef waarin beroepsvaardigheden, manuele vaardigheden, algemene kennis en communicatievaardigheden evenwichtig en aangepast aan de studierichting aan bod komen. Hij begeleidt de lerenden om gestructureerd mondeling te rapporteren en vragen te beantwoorden.
Hij laat hen geleidelijk complexere taken uitvoeren waarbij verschillende deelvaardigheden aan bod komen. Typisch voor de geïntegreerde proef is dat het een aanleiding is om gedurende het hele jaar beroepsvaardigheden realistisch geïntegreerd aan te leren.

De ondersteunende kennis omvat de beroepsvereisten van beroepen aansluitend bij de studierichting, middelen voor objectieve evaluatie van manuele vaardigheden en van mondelinge communicatievaardigheden en elementaire kennis van takenanalyse.

 

Vaardigheid 1.15

Leerling-stagiairs begeleiden

De leraar in het technisch en beroepssecundair onderwijs kan leerling-stagiairs op een zinvolle en discrete manier begeleiden tijdens bedrijfsstages en bij de terugkoppeling van stage-ervaringen naar de lesactiviteit, de stage-ervaringen van de leerlingen duiden en plaatsen in een ruimer opleidings- en vormingsprofiel.

De ondersteunende kennis omvat het betreffende werkveld.

 

Vaardigheid 1.16

Adequaat omgaan met de heterogeniteit van de leerlingenpopulatie in het BSO.

De leraar in het BSO kan adequaat omgaan met de heterogeniteit van de leerlingen-populatie. Hij legt de nadruk op volgende elementen: sturing vanuit doe-situaties met aandacht voor praktische bruikbaarheid, het nastreven van elementaire maatschappelijk-culturele doelen, het nastreven van polyvalente vorming met aandacht voor assertiviteit, gevoel voor eigenwaarde en zelfvertrouwen.

De ondersteunende kennis omvat de wijze waarop attituden tot stand komen en kunnen wijzigen.

 

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 2

DE LERAAR ALS OPVOEDER

 

Vaardigheid 2.1

In overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in klasverband en op school.

De leraar werkt als teamlid aan het opbouwen van een positief leefklimaat in de klas en op school. Hij beoogt een positieve interactie met de klas als groep en stimuleert een positieve relatie tussen de leerlingen. De leraar kan gepast omgaan met gevoelens van leerlingen. Hij kan zijn eigen omgang met de leerling kritisch bevragen.

De ondersteunende kennis omvat groepsdynamische en interactieprocessen en, voor zover ze niet in de leerplannen zijn opgenomen, de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor sociale vaardigheden.

 

Vaardigheid 2.2

De emancipatie van de leerlingen bevorderen.

De leraar kan de eigenheid van de individuele leerling en van sociale groepen herkennen, bespreekbaar maken en hanteren met het oog op zelfontplooiing en sociale integratie van de jongeren. Voor risicoleerlingen hanteert de leraar een gedifferentieerde onderwijsaanpak.

De ondersteunende kennis omvat het begrip 'risicoleerling', diverse leef- en jongerenculturen en kennis van het omgaan daarmee. Onder leefcultuur wordt verstaan cultuurverschillen tussen verschillende sociale groepen.

 

Vaardigheid 2.3

Door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.

Bij attitudevorming richt de leraar zich op de van toepassing zijnde eindtermen respectievelijk ontwikkelingsdoelen, de leerplannen, het pedagogisch project, eventueel het schoolwerkplan en een aantal conventies voor sociale omgang. De leraar kan in de klascontext waarden bespreekbaar maken, waarden ontwikkelen en ook via voorbeeldgedrag stimulerend optreden. Hij kan tevens het verborgen leerplan, onder diverse vormen, herkennen.

De ondersteunende kennis omvat het pedagogisch project, het schoolwerkplan en de van toepassing zijnde eindtermen/ontwikkelingsdoelen en de verschijningsvormen van het verborgen leerplan.

 

Vaardigheid 2.4

Actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context.

De leraar kan maatschappelijke gebeurtenissen aan de vormingsinhouden koppelen. Daarnaast kan de leraar leerlingen kritisch leren omgaan met massamedia.

De ondersteunende kennis omvat informatiebronnen in verband met de maatschappelijke dimensie van het vakgebied.

 

Vaardigheid 2.5

Adequaat omgaan met leerlingen in sociaal-emotionele probleemsituaties en met leerlingen met gedragsmoeilijkheden.

De leraar kan, met ondersteuning, probleemgedrag herkennen dat kan wijzen op sociaal/emotionele problemen bij leerlingen. Onder begeleiding leert hij met het geconstateerde probleemgedrag om te gaan.

De ondersteunende kennis omvat diverse vormen van sociaal-emotionele probleemsituaties en hun achtergrond en het ontstaan van gedragsmoeilijkheden.

 

Vaardigheid 2.6

Het fysiek welzijn van de leerlingen bevorderen.

De leraar speelt een rol bij het bevorderen van de gezondheid. Hij is in staat te zorgen voor het algemeen lichamelijk welzijn van de leerlingen en hij kan dringende verzorgingstaken uitvoeren.

De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van fysiek welzijn van leerlingen en de basisprincipes van eerste hulpverlening.

 

Vaardigheid 2.7

Adequaat omgaan met meerderjarige leerlingen.

De leraar is er zich van bewust dat de levenservaring en de leefwereld van de meerderjarige leerlingen anders en vaak ook breder is dan die van de minderjarige en gaat hiermee gepast om.

De ondersteunende kennis omvat rechten van de meerderjarige in de schoolcontext en leefwerelden van meerderjarige leerlingen.

 

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 3

DE LERAAR ALS INHOUDELIJK EXPERT

Vaardigheid 3.1

Basiskennis beheersen en recente evoluties i.v.m. domeinspecifieke kennis en vaardigheden opvolgen.

De leraar beheerst de basiskennis in het eigen inhoudelijk domein en bevordert de eigen deskundigheid door zelfstudie, bijscholing, interne en externe begeleiding en stages.

De ondersteunende kennis omvat de inhoudelijke opbouw en samenhang van het vakgebied en kennis van de mogelijkheden van permanente vorming.

Vaardigheid 3.2

De verworven domeinspecifieke kennis en vaardigheid aanwenden.

De leraar kan flexibel gebruik maken van de resultaten uit vaardigheid 3.1 in de pedagogisch-didactische aanpak.

De ondersteunende kennis omvat de concepten, inhouden en structuren van het vakgebied.

 

Vaardigheid 3.3

Het eigen vormingsaanbod situeren en integreren in het geheel van het onderwijsaanbod en de structuur van het onderwijs.

De leraar kan de horizontale en verticale verbanden herkennen tussen het eigen onderwijsaanbod en het geheel van het aanbod in de school en in de structuur van het onderwijs.

De ondersteunende kennis omvat leerlijnen, verwantschappen tussen eigen en andere vakgebieden en kennis van onderwijsstructuren en studieloopbanen.

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 4

DE LERAAR ALS ORGANISATOR

Vaardigheid 4.1

Een gestructureerd werkklimaat bevorderen.

De leraar kan vaardigheden en aanpakwijzen hanteren die te maken hebben met klasmanagement.

De ondersteunende kennis omvat klasmanagement, leerbevorderende en ­belemmerende factoren.

 

Vaardigheid 4.2

Een soepel en efficiënt les- en dagverloop creëren, passend in een tijdsplanning.
a) vanuit het oogpunt van de leraar
b) vanuit het oogpunt van de lerende

De leraar kan voor de leerlingen gelijktijdige en/of opeenvolgende activiteiten vlot en soepel laten verlopen. De leraar kan de eigen taken op korte en langere termijn plannen.

De ondersteunende kennis omvat de diverse vormen van tijdsmanagement zoals agenda's en jaarplan.

 

Vaardigheid 4.3

Op correcte wijze administratieve taken uitvoeren.

De leraar kan op correcte wijze omgaan met een aantal administratieve verplichtingen die behoren tot het takenpakket van de leraar, zoals het bijhouden van leerlinggegevens, agenda, evaluatiegegevens, lessenrooster.

De ondersteunende kennis omvat de administratieve verplichtingen van de leraar, inclusief het doel ervan.

Vaardigheid 4.4

Een stimulerende, veilige en werkbare klasruimte creëren, rekening houdend met de veiligheid van de leerlingen.

De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van stimulerende en veilige leer-of werkvoorzieningen in een lokaal.

 

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 5

DE LERAAR ALS INNOVATOR - DE LERAAR ALS ONDERZOEKER

 

Vaardigheid 5.1

Vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.

De leraar kan vernieuwende inzichten uit de opleiding in de klas aanwenden. Vanuit begeleide reflectie over nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en de eigen schoolcultuur brengt hij vernieuwende inzichten in de klaspraktijk in.

De ondersteunende kennis omvat ontwikkelingen en actuele visie inzake onderwijs in het eigen vakgebied, wijzen van reflecteren op het eigen functioneren en kenmerken van schoolcultuur.

 

Vaardigheid 5.2

Kennisnemen van toegankelijke resultaten van onderwijsonderzoek rond de eigen praktijk.

De leraar kan gemakkelijk toegankelijke literatuur in verband met voorbeelden uit het eigen vakgebied selecteren en raadplegen.

De ondersteunende kennis omvat relevante en toegankelijke informatiebronnen van onderwijsonderzoek.

 

Vaardigheid 5.3

Het eigen functioneren bevragen en bijsturen.

De leraar kan de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen, onder meer door het onder begeleiding uitvoeren van eenvoudig actie-onderzoek.

De ondersteunende kennis omvat vormen van reflectie op het eigen onderwijsgedrag en de kenmerken van een eenvoudig actie-onderzoek.

 

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 6

DE LERAAR ALS PARTNER VAN DE OUDERS / VERZORGERS

 

Vaardigheid 6.1

Zich op de hoogte stellen van en discreet omgaan met gegevens over de leerling.

De leraar kan de ouders/verzorgers uitleggen wat de functie is van de gegevens die men over de leerling verzamelt en hoe men er discreet mee omgaat. Binnen het team maakt de leraar afspraken over de discrete behandeling van de gegevens.

De ondersteunende kennis omvat elementen van deontologie in verband met gegevens over de leerling.

 

Vaardigheid 6.2

Aan ouders/verzorgers informatie en advies verschaffen over hun kind in de school.

De leraar kan informatie verstrekken over leervorderingen, studiekeuze en/of beroepskeuze, gedrag- en houdingsaspecten. De leraar kan in overleg adviezen voor ondersteuning thuis geven. Ook kan hij de ouders/verzorgers in contact kunnen brengen met de verantwoordelijke voor leerlingbegeleiding in de school.

De ondersteunende kennis omvat hulpverleningsinstanties of -personen en communicatietechnieken.

 

Vaardigheid 6.3

In overleg met het team de ouders/verzorgers informeren over het klas- en schoolgebeuren.

De leraar kan, in overleg met het schoolteam, de ouders/verzorgers informeren over de onderwijsactiviteiten van de eigen school en over het eigen pedagogisch handelen.

De ondersteunende kennis omvat communicatietechnieken.

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 7

DE LERAAR ALS LID VAN EEN SCHOOLTEAM

 

Vaardigheid 7.1

Participeren aan samenwerkingsstructuren.

De leraar realiseert zijn opdracht in samenwerking met de leden van het schoolteam. Dit impliceert dat hij participeert aan samenwerkingsstructuren, onder meer wat het lestijdenpakket betreft.

De ondersteunende kennis omvat communicatietechnieken toegespitst op vergaderen, diverse overlegorganen en het begrip lestijdenpakket.

 

Vaardigheid 7.2

Binnen het team over een taakverdeling overleggen en deze naleven.

De leraar kan regels en afspraken met teamleden overleggen en naleven wat afgesproken is.

De ondersteunende kennis omvat communicatietechnieken.

 

Vaardigheid 7.3

De eigen pedagogische en didactische opdracht en aanpak in teamverband bespreekbaar maken.

De leraar kan advies aan collega's en aan de schoolleiding vragen over het eigen pedagogisch en didactisch handelen. De leraar kan op een constructieve wijze omgaan met kritiek en deze integreren in het eigen handelen.

De ondersteunende kennis omvat communicatietechnieken, mogelijkheden tot hospiteren en intervisie.

 

Vaardigheid 7.4

Zich documenteren over de eigen rechtszekerheid en die van de leerlingen.

De leraar kan relevante en actuele informatie over juridische en administratieve aspecten van het leraarschap verzamelen. Hij is op de hoogte van de rechten van de leerling en kan daaruit de conclusies trekken voor evaluatie en advisering.

De ondersteunende kennis omvat geselecteerde en goed toegankelijke juridische kennis rond de bedoelde rechtszekerheid.

 

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 8

DE LERAAR ALS PARTNER VAN EXTERNEN

Vaardigheid 8.1

In overleg contacten leggen, communiceren en samenwerken met externe instanties, die onderwijsbetrokken initiatieven aanbieden.

De leraar kan in overleg contacten leggen, communiceren en samenwerken met onderwijsbetrokken initiatieven zoals jongerenadviescentra, onderwijsinitiatieven van organisaties, gemeentelijke jeugdinitiatieven en dergelijke. De leraar kan, daar waar nodig en na overleg, relaties met de bedrijfswereld initiëren, uitbouwen en onderhouden.

De ondersteunende kennis omvat een overzicht van bekende en/of in de betrokken regio actieve instanties en initiatieven.

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 9

DE LERAAR ALS LID VAN DE ONDERWIJSGEMEENSCHAP

Vaardigheid 9.1

Deelnemen aan het maatschappelijk debat over onderwijskundige thema's.

De leraar kan met collega's in discussie treden over onderwijskundige thema's.

De ondersteunende kennis omvat onderwijsbeleidsorganen en ­processen en de historische en internationale dimensie van onderwijskundige thema's.

 

Vaardigheid 9.2

Reflecteren over het beroep van de leraar en de plaats ervan in de samenleving.

De leraar kan met collega's in discussie treden over de rol van het onderwijs in de samenleving en over de plaats van de leraar daarin.

De ondersteunende kennis omvat onderwijsbeleidsorganen en ­processen, de historische en internationale elementen en het eigen beroepsprofiel.

 

FUNCTIONEEL GEHEEL 10

DE LERAAR ALS CULTUURPARTICIPANT

Vaardigheid 10.1

Actuele thema's en ontwikkelingen onderscheiden en kritisch benaderen rond de volgende domeinen.

10.1.1. Het sociaal-politieke domein
10.1.2. Het sociaal-economische domein
10.1.3. Het levensbeschouwelijke domein
10.1.4. Het cultureel-esthetische domein
10.1.5. Het cultureel-wetenschappelijke domein

De leraar kan relevante en vlot leesbare publicaties rond deze thema's identificeren. Hij kan werken aan een interpretatiekader om kritisch om te gaan met informatie rond deze domeinen.

De ondersteunende kennis omvat relevante en geselecteerde literatuur en documentatie.

 

ATTITUDES

Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen. Rekening houdend met het betrokken niveau secundair onderwijs, de onderwijsvorm, de studierichting kunnen ze situationeel ingekleurd worden.

A1 Beslissingsvermogen:
durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan en er ook verantwoordelijkheid voor opnemen.

A2 Relationele gerichtheid:
in zijn contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en respect tonen.

A3 Kritische ingesteldheid:
bereid zijn zichzelf en zijn omgeving in vraag te stellen, de waarde van een
bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld
doel te verifiëren alvorens een stelling in te nemen.

A4 Leergierigheid:
actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen.

A5 Organisatievermogen:
erop gericht zijn de taken zodanig te plannen, te coördineren en te delegeren,
dat het beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.

A6 Zin voor samenwerking:
bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.

A7 Verantwoordelijkheidszin:
zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en zich engageren om
een positieve ontwikkeling van de leerlingen te bevorderen.

A8 Creatieve gerichtheid:
erop gericht zijn om uit diverse situaties en informatiebronnen ideeën te
genereren en deze op een originele manier gestalte te geven in het
ontwikkelingsaanbod.

A9 Flexibiliteit:
bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, onder meer
middelen, doelen, personen en procedures.

A10 Gerichtheid op adequaat en correct taalgebruik en communicatie:
in de mondelinge en schriftelijke communicatie met leerlingen, ouders, leden
van het schoolteam en externen erop gericht zijn een adequaat en correct
taalgebruik te hanteren en aandacht te hebben voor het belang van
non-verbale communicatie.


Deze tekst is opgenomen in VADEMECUM voor de student van de lerarenopleiding Heverlee KHLEUVEN

Bron: MIN Vlaamse Gemeenschap Dep. Onderwijs : Decretale tekst en memorie van toelichting Beroepsprofielen en basiscompetenties van de leraren. Publicatie Afdeling Informatie en Documentatie jan. 1999.