TERUG NAAR HOOFDPAGINA TERUG NAAR INLEIDING TOT DE ALGEMENE DIDACTIEK

TERUG NAAR HET GROTE GEHEEL VOOR HET LESGEVEN

TERUG NAAR DE WEBPAGINA MET ALLE VOORBEELDITEMS


6.3 De leraar secundair onderwijs groep 1

lnleiding

De vaardigheden voor de leraar secundair onderwijs groep 1 omschrijven het gehele spectrum van zijn inzetbaarheid. Toch is het zinvol de aandacht te vestigen op de specificiteit van de B-stroom en van het BSO/DBSO. Van de leraar die les geeft aan deze leerlingen wordt verwacht dat hij extra aandacht heeft voor een adequate didactisch-pedagogische aanpak. Project-, geïntegreerd, thematisch en praktijkgericht onderwijs kunnen hiertoe een belangrijke bijdrage leveren. De leraar hanteert een onderwijsstijl die erop gericht is het zelfvertrouwen, de weerbaarheid en een positief zelfbeeld bij de leerlingen te ontwikkelen. Kennis van de jongerencultuur, van de eigenheid van deze leerlingengroepen, van de studierichtingen in het BSO, van de arbeidsmarkt en van de beroepssector zijn onmisbaar. Een degelijke kennis van en vaardigheid in het hanteren van remediëringsstrategieën kunnen eveneens bijdragen tot succesvol onderwijs aan deze leerlingen.

Van de leraar technische en praktische vakken worden aanzetten verwacht voor vaardigheden met betrekking tot het inrichten van lokalen, aankoop en onderhoud van apparatuur en/of machines, contacten met de bedrijfswereid en het organiseren van stages. Het kunnen begeleiden van de leerlingen bij de geïntegreerde proef behoort eveneens tot die aanzetcompetentie van deze leraar. De in het beroepsprofiel vermelde vaardigheden worden voor de beginnende leraar op een initiële wijze aangeboden.

Ook de leraar in het KSO dient rekening te houden met de eigenheid van deze onderwijsvorm. Leerlingen worden benaderd vanuit een artistieke invalshoek en vanuit de artistieke beroepsprofielen. De pedagogisch-artistieke begeleiding maakt een meer individualiserende benadering van elke leerling noodzakelijk, gericht op het ontwikkelen van specifieke attitudes en vaardigheden zoals o.m. gevoel voor improvisatie, verbeeldingsdrang, zin voor originaliteit en voor individuele expressie. Hierbij worden specifieke didactische werkvormen en onderwijsleersituaties aangewend. Er wordt grote nadruk gelegd op het procesmatig karakter van dit onderwijs en op gerichte training.

Een aantal leraren zal in het buitengewoon onderwijs fungeren. Zij moeten rekening houden met de eigenheid van dit onderwijs en van deze leerlingen. Het lijkt dan ook aangewezen om tijdens de opleiding de nodige noties bij te brengen om leraren toe te laten te starten in een dergelijke functie. Specifiek voor de opvang van leerlingen in het buitengewoon onderwijs en voor leerlingen met speciale opvoedings- en onderwijsbehoeften is de kennis van het concept en het proces van handelingsplanning. De leraar kan een handelingsplan in overleg met het multidisciplinair team hanteren. De leraar heeft noties van orthodidactisch en orthopedagogisch handelen en van de specifieke en flexibele organisatievormen in het buitengewoon onderwijs. De essentiële vorming zal evenwel bestaan in een voortgezette opleiding voor leraar buitengewoon onderwijs.

Ten opzichte van de gemeenschappelijke profielen vertonen de specifieke profielen in de formulering van kennis en vaardigheden niet steeds fundamentele verschillen. Het is immers zo dat inkleuringen veeleer op het niveau van de vakdidactiek zullen worden aangebracht.

Een aantal vaardigheden uit het beroepsprofiel werd niet overgenomen in de basiscompetenties. Andere werden minder veeleisend geformuleerd. Voor sommige vaardigheden kan de beginnende leraar een beroep doen op de kennis en de ervaring van schoolteam of van andere deskundigen. De nadruk op overleg wijst echter niet op het lagere beheersingsniveau dat van de beginnende leraar wordt verwacht. Voor verschillende vaardigheden is dit overleg essentieel om een door het hele schoolteam gedragen benadering van de lerenden mogelijk te maken. Tegen deze achtergrond moet de toevoeging "in overleg" worden gelezen.


Typefunctie/Functioneel geheel 1 De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen als volgt omschrijven: adequate leeromgevingen kunnen ontwerpen, realiseren en evalueren waarin leerlingen op een efficiënte wijze leerresultaten kunnen bereiken.

De onderliggende visie voor de vaardigheden van de leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen is een opvatting over leren, waarbij leren gezien wordt als een actief, coöperatief en zelfgestuurd proces van betekenisgeving en kennisconstructie. Daarbij moet vooral gedacht worden aan leerlingen leren zelfstandig te leren en werken, inclusief het aanleren van metacognitieve vaardigheden. De leraar wordt gezien als een bevoorrechte deelnemer in de leergemeenschap die een intellectueel stimulerend klimaat schept, die zorgt voor leeractiviteiten en probleemoplossingsprocessen, die uitdagende vragen stelt, die de leerlingen feedback en hulp verstrekt waar nodig en die de zelfsturing van het leren door de leerlingen bevordert.

De vaardigheden van dit functioneel geheelltypefunctie zijn uitgewerkt volgens de verschillende fasen van het didactisch handelen (voorbereidenuitvoeren-evalueren). Het gaat hier echter om een louter ordeningsmodel. Het is vanzelfsprekend dat die fasen niet steeds lineair op elkaar volgen. Ook het cyclisch karakter van het hele didactische proces vraagt om een relativering van een mogelijke fasering.


Typefunctie/Functioneel geheel 2 De leraar als opvoeder

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als opvoeder als volgt omschrijven: een positief leefklimaat in de klas en op school creëren, tijdens het klasgebeuren een emancipatie bevorderen bij de leerlingen, aan attitudevorming werken en tijdens zijn lessen maatschappelijke ontwikkelingen in een pedagogische context hanteren en op de gepaste wijze omgaan met probleemieerlingen.

Naast een didactische taak heeft de leraar ook een pedagogische opdracht, die omschreven wordt als complementair aan de activiteiten die in andere opvoedingsmilieus worden uitgevoerd, ter begeleiding van de persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling. Pedagogische taken zijn breder dan lestaken en houden verband met het totale vormingsgebeuren binnen de school. Zij hebben o.m. te maken met de vakoverschrijdende eindtermen.


Typefunctie/Functioneel geheel 3 De leraar als inhoudelijk expert

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als inhoudelijk expert als volgt omschrijven: basiskennis beheersen, de eigen deskundigheid voortdurend bevorderen, deze domeinspecifieke deskundigheid aanwenden en het eigen vormingsaanbod situeren en integreren in het geheel van het onderwijsaanbod.

De vakinhoudelijke professionaliteit heeft betrekking op de vakinhoudelijke deskundigheid van de leraar. Er is voldoende parate kennis nodig van de vakgebieden en de leraar dient de didactische vaardigheden te beheersen om deze kennis te kunnen overdragen. Naast parate kennis is ook bekendheid nodig met bronnenboeken en informatiedragers die snel ofwel de noodzakelijke achtergrondkennis, ofwel aanvullende kennis kunnen leveren.

Aangezien de inhoud van een vak gestaag verandert, dient een leraar zijn kennis hierover regelmatig bij te werken via nascholing, interne en externe begeleiding en vakliteratuur. Een goed vormingsaanbod impliceert ook dat de leraar verbanden legt met andere disciplines, al dan niet in de eigen school.


Typefunctie/Functioneel geheel 4 De leraar als organisator

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als organisator als volgt omschrijven: een gestructureerd leef- en werkklimaat bevorderen, een soepel en efficiënt lesverloop en een werkbare klasruimte creëren. Hierbij wordt rekening gehouden met de eigenheid van de leerlinggroep.

De leraar als organisator heeft te maken met alle aspecten van klasmanagement. Dit is het treffen van maatregelen en voorzieningen voor het tot stand brengen en in stand houden van een gestructureerd werkklimaat. De organisatie van het dagelijks onderwijs in het klaslokaal en in de school is immers zeer belangrijk. De leraar dient de verschillende vormen van organisatie in de klas flexibel en efficiënt te hanteren; zoniet verliest hij kostbare leertijd voor de leerlingen. Bovendien dient hij duidelijke regelingen en afspraken te maken, zoniet ervaren een aantal leerlingen te weinig structuur en missen ze een gevoel van veiligheid. Verder beheerst de leraar het opstellen van een goede tijdsplanning en het creëren van een werkbare klasruimte. De leraar kan tevens een aantal vereiste administratieve verplichtingen nakomen. In het buitengewoon onderwijs organiseert hij bovendien in overleg met het multidisciplinair team de uitvoeringsfase van het handelingsplan.


Typefunctie/Functioneel geheel 5 De leraar als innovator - de leraar als onderzoeker

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als innovatorlonderzoeker als volgt omschrijven: vernieuwende elementen uit het vakgebied aanwenden, kennisnemen van onderwijsonderzoek en het eigen functioneren bevragen en bijsturen.

Van de leraar als innovator mag verwacht worden dat hij vernieuwende elementen - enerzijds vanuit onderwijsonderzoek en anderzijds vanuit eigen opleiding - in de klaspraktijk weet aan te wenden.

Van de leraar als onderzoeker mag verwacht worden dat hij zelf gaat werken aan de optimalisering van de eigen onderwijspraktijk. Aan de basis hiervan ligt de kritische ingesteldheid van de leraar, waardoor hij reflecteert op onderwijsen leergedragingen en opvoedingssituaties. Het doel daarvan is in onderwijssituaties gepaste en nuttige beslissingen te kunnen nemen.


Typefunctie/Functioneel geheel 6 De leraar als partner van ouders/verzorger

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als partner van ouders/verzorgers als volgt omschrijven: inwinnen van en discreet omgaan met leerlinggegevens, aan ouders/verzorgers informatie verschaffen over hun kind/jongere waarvoor ze de verantwoordelijkheid dragen, hen informeren over en betrekken bij het klas-/schoolgebeuren en met hen in dialoog treden over opvoeding en onderwijs.

Het begrip "verzorgers" duidt op de personen die ter vervanging van de ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de lerende.

Indien het gaat om meerderjarige leerlingen moet rekening worden gehouden met hun juridische autonomie (de juridische aspecten hieromtrent).


Typefunctie/Functioneel geheel 7 De leraar als lid van een schoolteam

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als lid van een schoolteam als volgt omschrijven: participeren aan samenwerking binnen de school, overleggen over taakverdeling in de school, de eigen aanpak bespreekbaar maken en zich documenteren over de eigen rechtstoestand en die van de leerlingen. Teamwerking krijgt nog een andere dimensie in het, buitengewoon onderwijs. Het opstellen van een handelingsplan en het dagelijks werken met de leerlingen gebeurt er in nauw teamverband tussen leraars en paramedici. Regelmatig overleg, concrete uitvoeringsplanning en naleven van afspraken zijn daarbij noodzakelijk.

De leraar is niet enkel verantwoordelijk voor alles wat in de "klas" gebeurt, ook als lid van het team is hij verantwoordelijk voor het hele onderwijsleerproces. De leraar treedt hier dus op als deelgenoot in een groepsverantwoordelijkheid ten aanzien van de voortdurende verbetering van de opvoeding en het onderwijs in de school. Essentieel hierbij is een vlotte informatiedoorstroming en het nodige overleg - gebaseerd op wederzijds vertrouwen en respect- met collega's. Dat overleg omvat de eigen pedagogische en didactische aanpak, eventueel het schoolwerkplan, lessenreeksen en onderwijsleerpakketten. Het is dan ook essentieel dat leraren inzicht hebben in het functioneren van een school en in het samenwerken met het schoolteam wat betreft hun taakuitvoering en taakontwikkeling.


Typefunctie/Functioneel geheel 8 De leraar als partner van externen

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als partner van externen als volgt omschrijven: contacten leggen, communiceren en samenwerken. met externe, hulpverlenende en onderwijsondersteunende instanties.

De zorg voor de leerling en voor goed onderwijs rust niet alleen op de schouders van de leraar en het team. Specifieke ondersteuning kan ook komen van het CLB, de welzijnssector, scholen voor buitengewoon onderwijs, begeleidingsdiensten, lerarengroeperingen, socio-culturele instellingen, het bedrijfsleven en centra voor nascholing. Het onderhouden van goede contacten met deze externe instanties is belangrijk met het oog op de uitwisseling van informatie, het inwinnen van advies en het op elkaar afstemmen van activiteiten.


Typefunctie/Functioneel geheel 9 De leraar als lid van de onderwijsgemeenschap

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als lid van onderwijsgemeenschap als volgt omschrijven: deelnemen aan het maatschappelijk debat over onderwijskundige thema's en reflecteren over het beroep van de leraar en de plaats ervan in de maatschappij.

Een leraar is niet alleen lid van een schoolteam maar behoort ook tot het geheel van de onderwijsgemeenschap waarin zich evoluties aftekenen die van invloed kunnen zijn op zijn beroepsuitoefening. Vanuit de idee van (zelf)verantwoording en zelfontplooiing moet de leraar dan ook bekwaam zijn om deel te nemen aan het maatschappelijk debat over onderwijskundige thema's. Vanuit deze participatie aan het onderwijsdebat dient de leraar eveneens te reflecteren over zijn beroep en moet hij in staat zijn de plaats en het belang van dit beroep te situeren binnen de context van de gehele samenleving.


Typefunctie/Functioneel geheel 10 De leraar als cultuurparticipant

Samenvattend kan men de vaardigheden van de leraar als cultuurparticipant als volgt omschrijven: actuele sociaal-politieke, sociaal-economische, levensbeschouwelijke, cultuur-esthetische en cultureel-wetenschappelijke thema's onderscheiden en kritisch benaderen.

De rubriek "leraar als cultuurparticipant" mag niet worden bekeken als een losse groep vaardigheden die louter worden toegevoegd. Het is de bedoeling dat deze vaardigheden hun functionaliteit ontlenen aan hun verbondenheid met de verantwoordelijkheid t.a.v. de leerling. De leraar situeert zijn pedagogisch-didactische praktijk en zijn vakgebied in een groter geheel en verrijkt daardoor op betekenisvolle wijze het handelen vanuit deze verantwoordelijkheid.

 


TERUG NAAR DE WEBPAGINA MET ALLE VOORBEELDITEMS