Het onderwijsbeleid van de Vlaamse regering 1999-2004

DEEL I . MEER DEMOCRATIE EN EEN BETER BESTUUR

Hoofdstuk 2 Institutionele vernieuwing

A. Hervormingen die snel doorgevoerd kunnen worden

Financiering van het onderwijs :

- de herziening van het aan de gemeenschappen toegewezen gedeelte van de BTW ter financiering van het onderwijs op basis van objectieve criteria;

- de uitvoering van de afspraken in de Bijzondere Financieringswet om de onderwijsmiddelen welvaartsvast te maken.

DEEL III . KENNIS EN CREATIVITEIT VOOR IEDEREEN

Hoofdstuk 1 Een toekomstgericht onderwijsbeleid

Inleiding

Het onderwijs staat al meer dan vijfentwintig jaar onder druk van budgettaire prioriteiten. Het wordt hoog tijd dat er een tegenbeweging komt waarbij opvoeding, opleiding en onderwijs opnieuw een prioriteit worden. Investeren in onderwijs en vorming is de boodschap.

Zo'n tegenbeweging is noodzakelijk om meer dan één reden. De jongeren moeten de nodige kennis, vaardigheden en attitudes verwerven zodat ze een plaats kunnen veroveren op de arbeidsmarkt. Daarnaast moet onderwijs bijdragen tot hun menselijke en maatschappelijke ontplooiing. De vier pijlers van het onderwijs die Jacques Delors aanhaalt in 'Learning the treasure within' (1996) bieden ook voor de missie van het Vlaamse onderwijsbeleid een vruchtbare invalshoek : learning to know, learning to do, learning to live together - learning to live with others en learning to be. Deze vier pijlers leggen achtereenvolgens de nadruk op kennis, vaardigheden en competenties, sociale vaardigheden en persoonlijkheidsontplooiing.

Degelijke opleiding en onderwijs zijn de beste waarborg voor de overdracht van waarden die als basis dienen voor de uitbouw van een tolerante, zorgzame en menslievende samenleving, voor de uitbouw van een maatschappij die ingaat tegen het onbegrip, de onverdraagzaamheid en de vereenzaming die we thans maar al te vaak meemaken. Onderwijs moet de basis leggen voor participatie op verschillende domeinen : politiek, sociaal, economisch, cultureel.

Een democratische samenleving is gestoeld op een democratisch onderwijs. Alle geledingen van de schoolbevolking moeten de kans krijgen om deel te nemen aan het democratisch bestuur van de school. De jongeren hebben in de eerste plaats recht op en baat bij een participerende schoolcultuur. Jongeren en ouders moeten, via de aanwezigheid in overlegorganen, inspraak hebben in het bestuur van de school. De school zelf draagt de verantwoordelijkheid voor begeleiding en ondersteuning.

Het onderwijs is geen ivoren toren. Het onderwijs alleen kan geen afdoende antwoord bieden op alle maatschappelijke problemen waarmee het geconfronteerd wordt. Alle maatschappelijke geledingen dragen hierin een gedeelde verantwoordelijkheid. Het is dan ook evident dat samenwerking en dialoog op permanente enstructurele wijze worden georganiseerd. De regering zal daartoe de nodige initiatieven nemen. De regering zal er bovendien actief op toezien dat overbevraging van leerkrachten en scholen wordt ingedijkt.

Bijzondere aandacht gaat naar het voltijdse en het deeltijdse kunstonderwijs op alle niveaus, vanwege hun hoge emancipatieve waarde.

A. Opnieuw investeren in onderwijs

Het onderwijs zorgt voor kennisoverdracht, leren leren, het bijbrengen van ethische inzichten, het ontwikkelen van sociale vaardigheden, het vormen van een kritische geest. Het onderwijs moet daarvoor extra middelen krijgen. Onderwijs mag niet alleen in markttermen beoordeeld worden. Onderwijs moet zorg dragen voor alle jongeren. Het is het wapen bij uitstek tegen een mogelijke ontwikkeling naar een duale samenleving. Kortom: een gelijkekansenbeleid moet centraal staan. Om kwalitatief onderwijs te garanderen, om met andere woorden iedereen maximaal kansen te geven zich intellectueel, emotioneel, maatschappelijk en creatieve te ontplooien', moeten er voldoende omkadering en verhoogde werkingsmiddelen ter beschikking gesteld worden.

Samen met de verdere responsabilisering van de onderwijsverstrekkers zal de regering ook de nodige initiatieven nemen om het toezicht op de effectieve en efficiënte aanwending van de ter beschikking gestelde middelen te verscherpen, in het kader van de gerechtvaardigde vraag van de onderwijsgebruiker en de gemeenschap naar kwaliteit.

In verband met de schoolgebouwen en de infrastructuur is er behoefte aan een substantiële verhoging van de financiële middelen voor alle niveaus. Aantrekkelijke schoolgebouwen zijn een belangrijk element in het creëren van een aangename schoolomgeving, wat bevorderlijk is voor het welzijn van de leerlingen en de leerkrachten. Verfraaiing van het onderwijs-patrimonium past ook in campagnes tegen antisociaal gedrag op school. Daarbij is een kwalitatieve bewaking van de onderwijsinfrastructuur nodig en worden vernieuwende duurzame projecten gestimuleerd. Verder zijn een optimalisering van de infrastructuur, een intensiever gebruik en openstelling voor de gemeenschap wenselijk.

De werkingsmiddelen voor het basisonderwijs worden progressief verhoogd met het oog op uitbreiding van beleidsondersteuning- of administratieve ondersteuning.

B. Levenslang leren

Het recht op permanente vorming of levenslang leren is het enige afdoende antwoord om zowel actieven als niet-actieven mee te laten evolueren in de samenleving. Bij de concrete invulling daarvan worden niet alleen de opleiding en bijscholing behandeld, maar evenzeer de sociale voorwaarden en de arbeidsomstandigheden waarbinnen de burger de mogelijkheden krijgt om aan permanente vorming te doen. Om dat te realiseren kiest de Vlaamse regering voor een geïntegreerd beleid tussen de verschillende Vlaamse administraties onderling en met alle sociale partners. Daarnaast moet er een daadwerkelijke en gestructureerde samenwerking komen tussen VIZO, VDAB en Onderwijs Sociale Promotie (OSP). Bovendien zal de Vlaamse regering, samen met de federale overheid, een voorwaardenscheppend beleid realiseren, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de aanpassing van het wettelijke en het reglementaire kader.

 

Het hoger volwassenenonderwijs van het Hoger Onderwijs Korte Type - Sociale Promotie (HOKT-SP) krijgt een plaats binnen het hogeschoolonderwijs. De Vlaamse regering voldoende middelen uit om het volwassenenonderwijs te versterken.

Met het oog op een betere integratie van allochtonen waarborgt het onderwijs een behoeftedekkend aanbod van taallessen Nederlands voor allochtone volwassenen.

C. Ruimte waarborgen voor een gediversifieerd onderwijsaanbod

De regering zal de nodige besluiten trekken uit de studie over de objectiveerbare verschillen in het onderwijsaanbod.

De Vlaamse regering zal het politieke akkoord dat de democratische partijen in het Vlaams Parlement hebben gesloten met het oog op de hervorming van het gemeenschapsonderwijs volledig uitvoeren.

De studie over de objectiveerbare verschillen kan een antwoord geven op de vraag: 'Wat kost het om elke leerling kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden en de vrije keuze en het pluralisme in het onderwijslandschap te waarborgen?'. Die vraag is belangrijker dan 'Hoeveel krijgt een bepaald onderwijsnet aan financiële middelen per leerling?' We moeten af van de netversterkende en louter budgettaire discussie. We moet investeren in leerlingen en leerkrachten, veeleer dan in structuren en netten. Het gesubsidieerde onderwijs krijgt de middelen om zijn onderwijs te organiseren en het gemeenschapsonderwijs heeft recht op voldoende financiering om zijn grondwettelijke opdracht waar te maken. Naast officieel gesubsidieerde scholen kunnen ook vrije scholen zich ontwikkelen tot open, pluralistische vrijekeuzescholen.

Het is normaal dat alle scholen of inrichtende machten onderworpen worden aan een gelijkwaardige boekhoudkundige controle. Daarnaast is een openbaar jaarverslag met de nodige financiële gegevens wenselijk.

Als een officieel gesubsidieerde school wordt overgedragen aan een andere inrichtende macht, zal die openstaan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en leerlingen. Tot de leerlingen niet meer leerplichtig zijn, zal hen de keuze worden aangeboden tussen onderricht in een van erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer. Het godsdienstonderwijs of de niet-confessionele zedenleer worden door een leermeester of specifieke leerkracht gegeven. Die leraar werkt volgens een schoolwerkplan en schoolreglement, en met schoolboeken die in overeenstemming zijn met dit open karakter.

Gesubsidieerde of gefinancierde scholen mogen geen leerlingen weigeren. Vrije scholen met een bepaald pedagogisch, levensbeschouwelijk of godsdienstig project vragen aan de ouders dat project, dat in het schoolreglement wordt omschreven, te tekenen voor akkoord. Als de ouders dat weigeren, kunnen de leerlingen niet tot de school toegelaten worden. Leerplichtige leerlingen kunnen alleen doorgezonden worden als ze het schoolleven op duurzame wijze grondig verstoren en nadat een alternatief gevonden wordt.

We hebben een stand van zaken nodig. Er komt een evaluatie en optimalisering van de initiatieven die genomen werden voor de invoering en toepassing van de non-discriminatieverklaring.

Na de vele hervormingen van de voorbije jaren, wordt het onderwijs ertoe in staat gesteld die hervormingen in alle kalmte in te passen in de scholen. Scholen worden via stimuli aangemoedigd samen te werken. Die samenwerking gebeurt op grond van vrijwilligheid en heeft een breed draagvlak nodig. De netoverschrijdende samenwerking voor zware infrastructuur zal daarbij een prioriteit zijn.

D. Kwaliteitsbewaking

De autonomie van de school is belangrijk. Dat impliceert dat ze ook de eerste verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van haar aanbod. De regering zal de school aanmoedigen en voorzien van de nodige middelen om interne kwaliteitszorg en -bewaking te optimaliseren. De overheid zal haar eigen instrumenten voor externe kwaliteitsbewaking verder uitbouwen.

Via die externe kwaliteitbewaking zal de overheid erover waken dat alle gesubsidieerde en gefinancierde scholen in de Vlaamse Gemeenschap voldoende kwaliteit garanderen.

Op termijn moeten interne en externe kwaliteitscontrole elkaar aanvullen. Eindtermen, ontwikkelingsdoelen, basiscompetenties en vakoverschrijdende thema's moeten verder aangevuld en volledig ingevoerd worden. Daarbij moet blijvend aandacht gaan naar kennisoverdracht, maar daarnaast ook naar de lichamelijke, de muzische en het creatieve ontwikkeling.

Om hun opdrachten volwaardig te kunnen invullen, moeten de scholen beschikken over voldoende 'beleidsvoerend vermogen'. Dat wordt gerealiseerd door een systeem van opleidingen en nascholingen uit te werken zodat de functies van de directie verder worden geprofessionaliseerd. Nieuw aangestelde directies worden ertoe verplicht een dergelijke opleiding te volgen gedurende de eerste jaren van hun functie. In het hele leerplichtonderwijs wordt voor alle leidinggevende functies het mandaatprincipe ingevoerd.

De leefkwaliteit van de school en haar omgeving, inclusief de veiligheid én de aangeboden voeding, verdienen de nodige aandacht.

E. Zorgverbreding

Zorgverbreding wordt veralgemeend in het onderwijs. Ook in het secundair onderwijs is er extra aandacht en omkadering voor zorgverbreding, leerstoornissen en (leer)problemen nodig. Denken we daarbij maar aan het huidige cascade-effect van problemen waarmee het onderwijs vanuit de samenleving geconfronteerd wordt (geweld, drugs, ...). Aanspreekpunten in de scholen en extra ondersteuning moeten daartoe worden uitgebouwd.

Naast de uitbreiding van het doelgroepenbeleid in het basisonderwijs en het secundair onderwijs, wordt er werk gemaakt van een ernstige evaluatie van de zorgverbredings- en onderwijsvoorrangsbeleidprojecten, zodat de effectiviteit van de aangewende middelen zichtbaar wordt.

De begeleiding van leerproblemen die het gevolg zijn van sociale, familiale of culturele achterstanden vraagt een andere benadering dan de begeleiding van specifieke leerstoornissen. Een voor de leerkrachten hanteerbaar systeem om leerlingen te volgen kan daartoe een bijdrage leveren.

Meer deskundigheid veronderstelt meer aandacht voor die problematiek in de initiële lerarenopleiding en nascholing. Klasleerkrachten zijn niet alleen belangrijk om tot een snelle opsporing van problemen te komen. Van hen mag ook verondersteld worden dat ze in de klas de nodige begeleiding bieden met de hulp van het centrum voor leerlingenbegeleiding, externe deskundigen en specifiek opgeleide collega's. In het kader van het streven naar meer inclusief onderwijs worden projecten opgezet, zodat extra begeleiding mogelijk wordt voor leerlingen met leermoeilijkheden in het gewone onderwijs.

Het onderwijs voor zieke kinderen en de organisatie van ziekenhuisscholen vragen een bijzondere aandacht.

Internaten moeten toegankelijk zijn voor iedereen, ook voor kinderen uit minder kansrijke gezinnen. In het kader van de werklast moet progressief een verantwoorde omkadering worden uitgebouwd. De werkingsmiddelen van de vrije internaten worden geleidelijk verruimd aan de hand van objectieve criteria.

F. Een betere oriëntering en de aanpak van het watervalsysteem

Vlaanderen kan het zich niet permitteren om een belangrijk deel van zijn jeugd in de kou te laten staan, de jongeren hun dromen te ontnemen en hun talenten en creativiteit ongebruikt te laten. De opwaardering van het technisch en beroepsonderwijs is daarom een absolute noodzaak.

Het zogenaamde watervalsysteem wordt aangepakt. Alleen op die manier kan immers een oplossing geboden worden voor de onderwaardering van het Technisch Secundair Onderwijs (TSO) en het Beroepssecundair Onderwijs (BSO). Die onderwaardering is voor de leerling onaanvaardbaar en voor de ouders een bron van onnodige frustraties. Bovendien leidt die onderwaardering in het bedrijfsleven tot spanningen die we o.a. terugvinden in het bestaan van de zogenaamde knelpuntberoepen. Er worden proefprojecten gestart om dat watervalsysteem te remediëren.

Een correctie van het watervalsysteem en een betere oriëntering hangen nauw samen met de valorisering van de opdracht van de eerste graad secundair onderwijs, het realiseren van een grotere integratie van de onderwijsvormen, de versterking van de technische component, ook in de ASO-opleiding, en de invoering van een modulaire opbouw. Bij de invoering van het modulaire systeem worden de nodige aansluitingen gerealiseerd met o.m. VIZO, volwassenenonderwijs en VDAB-opleidingen, zeker voor de beroepsopleidingen en het DBO.

Een evaluatie van de invulling van de leerplicht is noodzakelijk. Tevens moet een onderzoek worden verricht naar de mogelijkheden om de relatie tussen het onderwijs en het bedrijfsleven te verbeteren. Er zijn tussen het bedrijfsleven en het beroeps- en technisch onderwijs meer directe relaties nodig. De oprichting van een 'uitrustingsfonds' in samenwerking met de privé-sector is nodig om de infrastructurele uitrusting van het technisch en beroepsonderwijs op peil te houden. Ook het aanbieden van stageplaatsen binnen het bedrijfsleven die kunnen worden geïntegreerd binnen het beroeps- en technisch onderwijs, moet worden vergroot.

G. De herwaardering van de leraar

Functiebeschrijvingen en evaluaties kunnen een belangrijke verrijking zijn voor de leraren. De vorm, de omstandigheden en voorwaarden daarvan worden decretaal vastgelegd. Ze moeten ook de nodige bescherming van de personeelsleden inhouden. Een zo groot mogelijke harmonisering van het personeelsstatuut in alle netten wordt verwezenlijkt.

Een grotere autonomie van de scholen kan alleen op voorwaarde dat inspraak en participatie daadwerkelijk uitgebouwd en gegarandeerd zijn. Een decreet over 'inspraak en participatie' is daarbij essentieel.

De mate waarin het personeelslid wordt belast, wordt vastgelegd en wordt individueel vertaald in een functiebeschrijving. Die belasting wordt niet alleen in lesuren uitgedrukt.

Onze samenleving en de wetenschap zijn zo sterk onderhevig aan veranderingen dat het nooit meer echt rustig kan worden in het onderwijs. En trouwens niet alleen daar. Dat mag echter geen aanleiding vormen tot steeds meer regelgeving en grotere formalisering, die het onderwijs van zijn essentiële maatschappelijke opdracht doen vervreemden.

Het decreet over lerarenopleiding moet gevolgd en geëvalueerd worden. Voor de beroepsprofielen komen er zeker aanvullingen. Vooral kennis van, inzicht in en omgaan met leerstoornissen en leerproblemen zullen voldoende aan bod komen in die lerarenprofielen en op die manier ook in de programma's van de lerarenopleiding.

De begeleiding van beginnende leerkrachten en de nascholing van leerkrachten, zoals bepaald in het decreet lerarenopleiding, krijgen concrete vorm en invulling. Beginnende leraren krijgen meer werkzekerheid en financiële zekerheid. Zo kunnen er 'vervangingspools' worden opgericht waardoorn jonge afgestudeerden een jaaraanstelling krijgen binnen een bepaalde streek of scholengroep.

Via de nodige stimuli moet men aan de ene kant vakmensen uit de privé-sector aantrekken als technisch leraren voor het technisch en beroepsonderwijs, en aan de andere kant leerkrachten de nodige praktijkervaring laten opdoen in het bedrijfsleven.

H. ICT-geletterdheid

De nieuwe informatie- en communicatietechnologie (ICT) moet toegankelijk en beschikbaar zijn voor iedereen. Een nieuw soort (computer)analfabetisme moet vermeden worden, omdat ze een nieuwe duale maatschappij in de hand werkt.

De extra ondersteuning om op een ruimere schaal computers in de school te brengen moet worden voortgezet. Ook moet gezorgd worden voor de upgrading van die computers. Leerlingen en cursisten moeten met ICT leren omgaan binnen de context van de bestaande vakken en leergebieden. Leerkrachten moeten een door de overheid gegarandeerde, vraaggestuurde nascholing krijgen in verband met ICT. Daarbij moeten ze kunnen rekenen op geoperationaliseerde netwerken die hen ondersteunen. Parallel daarmee moet gezorgd worden voor een effectieve integratie van het educatieve gebruik van ICT in de lerarenopleiding.

I. Hoger onderwijs

De tekorten inzake de werkingsuitkeringen voor de universiteiten moeten op korte termijn worden opgevangen. De enveloppe voor de financiering van de hogescholen wordt aangepast. Er moet wetenschappelijk onderzoek worden gedaan naar de reële kostprijs van de opleidingen. De instellingen krijgen extra financiële middelen om aan de nieuwe uitdagingen die door de overheid stelt, kwaliteitsvol en efficiënt tegemoet te kunnen komen.

De hogescholen en de universiteiten krijgen elk volgens hun decretale missie, afdoende financiële middelen om kwaliteitsvol onderzoek op hun respectieve niveau te waarborgen. De universiteiten moeten ten volle in staat worden gesteld om hun primordiale missie inzake fundamenteel onderzoek te vervullen.

De middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) worden opgetrokken. De regelgeving wordt vereenvoudigd. Daarnaast worden hogescholen door de overheid extra ondersteund om, in samenwerking en op verzoek van het regionale en lokale bedrijfsweefsel, (inzonderheid de KMO's), technologisch onderzoek te verrichten.

Het belang van een degelijke werkomgeving en infrastructuur voor de kwaliteit van het onderwijs moet ook in het hoger onderwijs opnieuw naar waarde worden geschat. De kloof tussen de bestaande investeringsmiddelen en de bestaande behoeften moet progressief worden gedicht.

De universiteiten en hogescholen worden ertoe aangezet om te streven naar zwaartepuntvorming inzake onderwijs en onderzoek. Versnippering wordt tegengegaan om op internationaal en Europees niveau concurrentieel te blijven. Daarbij is er ruimte voor creativiteit en inventiviteit, voor initiatieven die nieuwe wegen bewandelen. De kwaliteit van het hoger onderwijs is niet gebaat met een status-quo. Wie internationale samenwerking hoog in het vaandel voert, wapent zich het best voor de toekomst.

Het hogeschoolonderwijs en het universitair onderwijs worden beter op elkaar afgestemd. Het aanbod van het universitair onderwijs en hogeschoolonderwijs moet worden geoptimaliseerd en het moet inspelen op nieuwe uitdagingen. Samenwerkingsmodellen tussen universiteiten en hogescholen worden uitgebouwd om het binaire systeem van ons hoger onderwijs te overstijgen. De universiteiten en de hogescholen worden uitgenodigd om aan de Vlaamse regering concrete voorstellen te doen over de optimalisering van hun aanbod. De Vlaamse regering zal mede op basis van die voorstellen, de optimalisering van het aanbod evalueren en daaruit de gepaste conclusies trekken.

Bij de realisatie van de Universiteit Antwerpen en de uitbouw van een Transnationale Universiteit Limburg wordt het opleidingsaanbod geoptimaliseerd.

Met betrekking tot de kwaliteit van het hoger onderwijs moet de overheid een degelijke meta-evaluatie veralgemenen.

De onderwijsstructuur van het hoger onderwijs wordt herbekeken in het licht van de nieuwe maatschappelijke en internationale ontwikkelingen. Als prioriteiten worden de flexibilisering en modularisering van het aanbod, het afstandsonderwijs, de mobiliteit en de bruggen tussen hogescholen en universiteiten naar voren geschoven.

In het kader van de onderwijsinnovatie worden de bestaande initiatieven extra ondersteund met het oog op een reële en snelle operationalisering. Samenwerking en zwaartepuntvorming moeten worden aangemoedigd.

Bovendien zal de Vlaamse regering de conclusies van de Sorbonne- en Bolognaverklaringen invoeren in nauw overleg met de VlIR en de VLHORA om de mobiliteit van de studenten en docenten te bevorderen, de harmonisering van de valorisering van de diploma's te bewerkstelligen en de samenwerking op het vlak van kwaliteitsbewaking te stimuleren. Kortom, ze wil het Vlaamse hoger onderwijs op Europees en internationaal niveau optimaal laten renderen.

De basisdecreten van het hoger onderwijs worden beter op elkaar afgestemd.

De open en vrije toegang tot het hoger onderwijs blijft het uitgangspunt. Wel zijn er initiatieven nodig om tot een betere oriëntering te komen vanuit het secundair onderwijs. De eindtermen van het secundair onderwijs en de begintermen van het hoger onderwijs moeten op elkaar afgestemd worden. De eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs moeten beter begeleid worden.

In het kader van de Voortgezette Academische Opleidingen heeft ook de regering een verantwoordelijkheid, onder meer voor het inschrijvingsgeld. Die voortgezette academische opleidingen moeten een democratisch recht blijven en dus toegankelijk zijn voor iedereen.

Er wordt een magistratenschool opgericht ter uitvoering van het Octopusakkoord.

J. Wegnemen van financiële drempels

Het creëren van gelijke kansen moet reëel zijn. De kostprijs of sociaal-economische elementen mogen geen rem vormen op het recht op onderwijs. De kosten voor de 'niet-duurzame schooluitrusting' - zoals schoolboeken, schriften, fotokopieën, verplichte schooltijdschriften, enzovoort - en het realiseren van de eindtermen worden gedragen door de basisschool. Op die manier wordt de kosteloosheid van het leerplichtonderwijs gegarandeerd. De geleidelijke realisatie daarvan vergt wel een toename van de daartoe geëigende werkingsmiddelen van de scholen.

In het secundair onderwijs moeten facultatieve uitgaven die weinig met het lesprogramma te maken hebben, beperkt worden. De geëigende participatieorganen waken erover dat die uitgaven geen aanleiding geven tot uitsluiting van leerlingen.

De studiefinanciering in het hoger onderwijs is nog steeds een bepalende factor voor de toegang tot dat onderwijs. Naast de sociale toelagen, die voor de hogescholen en universiteiten tijdens deze bestuursperiode gelijkgeschakeld worden, zijn de studietoelagen een essentiële hefboom om gemakkelijker de drempel van de studiekosten te nemen.

De studietoelagen worden opgetrokken tot op het niveau van de directe studiekosten. Meer jongeren krijgen een studietoelage doordat bijvoorbeeld de maximum-inkomensgrens wordt verhoogd, het systeem van het vermoedelijke inkomen wordt veralgemeend, een 'bodem-KI' en een 'jokerbeurs' worden ingevoerd. De jokerbeurs is een beurs die studenten eenmaal kunnen aanvragen, als ze volgens de geldende richtlijnen niet (meer) beursgerechtigd zijn. Als ze die jokerbeurs bij de initiële opleiding niet gebruiken, kunnen ze die nog aanvragen bij het aanvatten van aanvullende studies. Daarnaast zal het systeem van studiefinanciering zich moeten aanpassen aan de steeds meer gedifferentieerde leerwegen die de studenten volgen.

DEEL V. BRUSSEL, HOOFDSTAD VAN VLAANDEREN

A. Onderwijs

Vlaanderen besteedt sedert lang bijzondere aandacht en zorg aan het Nederlandstalig onderwijs in Brussel omdat er terecht werd van uitgegaan dat een kwaliteitsvol onderwijs bepalend is voor de overleving en bloei van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel. Dankzij deze inspanningen staat het Nederlandstalig onderwijs bekend om zijn degelijkheid en kwaliteit. Tijdens het vorige decennium werd het Nederlandstalig onderwijs in Brussel streng gerationaliseerd. Vandaag bloeit het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, mede door de instroming van soms hoge aantallen anderstalige leerlingen. Dit gaat echter gepaard met problemen en uitdagingen die moeilijk binnen de geldende regels voor omkadering en leerplannen kunnen worden aangepakt. Opdat de in het verleden geleverde inspanningen niet zouden verloren gaan, en om de toekomst van de Vlamingen in Brussel veilig te stellen, erkent de Vlaamse regering dat het van essentieel belang is dat Vlaanderen het Nederlandstalig onderwijs in Brussel meer zal steunen met maatregelen die rekening houden met de specifieke toestanden waarmee dat onderwijs wordt geconfronteerd.

Het leerlingenaantal groeit, in tegenstelling tot de situatie in Vlaanderen en in de Franse Gemeenschap. Deze groei wordt veroorzaakt door de talrijke niet-Europese gezinnen in Brussel. Dit heeft tot gevolg dat een aantal scholen, die bovendien vaak al kampen met een verouderde en onaangepaste infrastructuur, uit hun voegen barsten. Om de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs op peil te houden, zijn - in het kader van de voor heel Vlaanderen nagestreefde inhaalbeweging inzake basisinfrastructuur voor het basis- en het secundair onderwijs - extra inspanningen voor Brussel noodzakelijk. Vele Vlaamse scholen tellen hoge tot zeer hoge percentages leerlingen voor wie de onderwijstaal (het Nederlands) niet de moedertaal is. Dat schept bijzondere eisen inzake omkadering en pedagogische aanpak. De Brusselse situatie is in zoverre anders dat de onderwijstaal - het Nederlands - niet de meest gangbare omgangstaal is. Er moeten dus niet zozeer lagere populatienormen voor scholen, klassen en richtingen te worden gehanteerd, als wel hogere omkaderingsnormen voor taalonderwijs en taalondersteuning. Bijzondere aandacht moet gaan naar drie specifieke momenten in de schoolloopbaan : het kleuteronderwijs, de overgang van kleuteronderwijs naar basisonderwijs, en ten slotte de overgang van basisonderwijs naar secundair onderwijs.

Daarvoor wordt de kwalificatie 'doelgroepleerling' herzien en uitgebreid. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) voorziet in extra omkadering voor scholen met een groot aantal allochtonen, waarbij het criterium voor de toekenning gebaseerd is op de nationaliteit van de moeder. Aangezien veel Brusselse scholen leerlingen tellen die wel Belg zijn, maar toch anderstalig, is het aangewezen om het criterium in die zin uit te breiden dat ook zij in aanmerking komen voor bijzondere taalomkadering.

Er wordt bijzondere zorg besteed aan de keuzevrijheid voor het technisch en beroepsonderwijs door erover te waken dat voldoende studierichtingen geprogrammeerd blijven. Het TSO en het BSO dreigen anders aan Nederlandstalige kant ondervertegenwoordigd te raken, hetgeen niet verantwoord zou zijn, gelet op de Brusselse arbeidsmarkt en de vraag bij de Brusselse leerlingenpopulatie.