terug

VRAGEN

Kan het onderwijs uit de greep van de commercialisering blijven? Is het wenselijk dat het onderwijsbeleid een eigen koers kan varen? Waarom (niet)?

Wat heeft deze problematiek te betekenen voor de werkvloer (de lesgevende leerkracht en de leskrijgende leerlingen in een gewone secundaire school?

Onderwijs  is  meer dan waspoeder

COC-congres in oktober 2003: 'in de ban van de markt: overheid en onderwijs'

Eric Dolfen

 

BLIJFT ONDERWIJS OOK IN DE  21ste  EEUW  EEN VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE OVERHEID?

Of zal onderwijs het slachtoffer worden van de evolutie naar meer commercialisering, liberalisering, individualisering? Het zijn vragen die de toekomst van het onderwijs én van het onderwijspersoneel zullen bepalen en die de onderwijsvakbonden ter harte moeten nemen. Het is dan ook geen toeval dat deze problematiek het centrale thema wordt van het tweede COC-congres op 17 en 18 oktober 2003 in Oostende. De komende maanden zal Brandpunt dieper ingaan op deze thematiek. Ter inleiding in dit nummer een analyse van de actuele maatschappelijke ontwikkelingen die het onderwijs dreigen te teisteren.

 

De overheid stippelt het onderwijsbeleid uit, financiert het, volgt het op, is er verantwoordelijk voor: het lijkt een vanzelfsprekendheid. Maar IS dit wel een onveranderlijk gegeven? Blijft de overheid die rol ook spelen in de toekomst? Recente maatschappelijke evoluties beïnvloeden en sturen de gedachten van beleidsverantwoordelijken en onderwijshervormers in andere richtingen. Staat het onderwijs voor nieuwe uitdagingen? En wat betekent dit voor het onderwijspersoneel, als groep en als persoon?

 

De liberalisering en individualisering van de samenleving

 

Het neoliberale gedachtengoed heeft geleid tot de ophemeling, de 'bevrijding' en de responsabilisering van het individu. Maatschappelijke dienstverlening wordt exclusief op maat van het individu gesneden.

 

Ook het onderwijs ontsnapt niet aan deze evolutie. Voorbeelden te over: modulair onderwijs, flexibele leeropdrachten, deregulering in het kader van een nog sterker doorgedreven lokale autonomie, evaluatie met of zonder objectief beoordelingskader, rendementsonderwijs en prestatiebeloning, concurrentieel onderwijs ... De individualiseringsgolf leidt onvermijdelijk tot de uitholling en ondermijning van het georganiseerde middenveld en de sociale democratie. Het liberale beleid 'onderhandelt' met het individu, dat inzake deskundigheid moet onderdoen voor de manipulatieve berekeningen van de overheid. De rechtspositie van het personeel dat na een lange syndicale strijd gerealiseerd werd, verliest fel aan zekerheid.

 

Het is nog onduidelijk waartoe de liberalisering van het onderwijs verder nog zal leiden. Vast staat dat solidariteit als waarde zwaar onder druk staat en dat organisaties zoals COC, die gebouwd zijn op en vertrekken vanuit solidariteit, het steeds moeilijker hebben om zich in de publieke opinie te handhaven als noodzakelijke onderhandelaar en deskundige. In welke mate zal het neoliberale gedachtengoed de fundamenten van het onderwijs ondermijnen? Kan de maatschappij dit duiden? Kan COC mee het tij doen keren?

 

Razendsnelle technologische ontwikkeling

 

De mogelijkheden en de impact van de moderne informatiej en communicatietechnologieën, de ICT, zijn onbegrensd. De WestjEuropese maatschappij heeft deze technologieën nodig om zich op wereldvlak competitief op te stellen en dus moet onderwijs de nodige ICTjvaardigheden ontwikkelen. Die evolutie kan en mág niet worden gestopt.

 

Trouwens, de strategische en geassocieerde doelstellingen van de EU-top van Lissabon (23-24 maart 2000) verplichtten minister Vanderpoorten ervoor te zorgen dat elke Vlaamse leraar tegen het einde van 2002 in staat moet zijn ICT te integreren in zijn/haar vak. Of die vooropgestelde termijn realistisch is, durven we te betwijfelen. Elke leerkracht heeft intussen de gevolgen van het invoeren van ICT al kunnen ondervinden, zeker op het vlak van nascholing en financiële inspanning.

 

Het gevaar is dat op termijn, bij een zich terugtrekkende overheid, de onderwijsmethodieken en onderwijsinhouden bepaald en gedetermineerd zouden worden door de ICT-producenten. Als de overheid bovendien de kwaliteitscontrole volledig zou overlaten aan de lokale autonomie, moeten we voor het ergste vrezen. Want de druk van externe sectoren wordt dan wel heel groot. In welke mate mag de ICT-golf het onderwijs overspoelen en wat kunnen de gevolgen zijn op de werkomstandigheden van de leerkracht?

 

De economisering van de samenleving en het onderwijs

 

Het economisch paradigma verengt de mens tot een economisch wezen. Het maatschappelijk, politiek, sociaal, technologisch en esthetisch denkproces wordt een discours ten gunste van bedrijf en economie en houdt winst of verlies aan kapitaal en economische macht als enig perspectief voor ogen. De kennismaatschappij doet dit proces nog versnellen, zodat elk denken gebeurt in functie van concurrentie en winst. Als dit economisch model ook het onderwijs gaat beheersen, als het onderwijs ingeschakeld wordt in de concurrentiestrijd tussen de economische machten (meer bepaald de Amerikaanse en de Zuid-Oost-Aziatische), dan is het niet ondenkbaar dat louter economische inhouden het onderwijs gaan dicteren en dat ook de onderwijsorganisatie op economische leest wordt geschoeid.

 

Zo duikt de economisch gekleurde terminologie het onderwijs binnen: flexibiliteit, deregulering, evaluatie, prestatiebeloning, contractuele arbeid, human resources management ... Met de regelmaat van de klok herhaalt ministerVanderpoorten dat scholen meer moeten samenwerken met bedrijven. Ze geeft daarvoor zelfs zeer concrete voorbeelden.

 

Het gevaar schuilt echter vooral in Europa. Op de Europese top van Lissabon is een actieplan opgesteld dat ervoor moet zorgen dat onderwijsj en scholingstelsels beter inspelen op de arbeidsmarkt en beter tegemoetkomen aan de specifieke vereisten die de economie stelt. Wat is Europa van plan met onderwijs? Wordt onderwijs louter een voorbereiding op het economische perspectief? Wat zal hierin de waarde zijn van sociale en culturele vorming? Hoe wordt algemene vorming ingevuld? En hoe pal staat ons statuut in de stormen van de economische jungle?

Het gevaar van de commercialisering van het onderwijs

 

In het buitenland rukken de onafhankelijke en privéjschoien op. Bedrijfseconomen dromen luidop van investeringen in een bedrijf met eigen scholen of contractscholen.

 

De vermarkting van het onderwijs is een tendens die in Amerika en in GrootjBrittannië volop bezig is. Het gaat hier over onderwijs als een commercieel, verhandelbaar product zoals een huis, een stuk meubel, waspoeder of een bankverrichting. Onderwijs wordt een marktproduct waarmee winst wordt nagestreefd.

 

Gaan we dit onvervreemdbaar recht van eik individu uitbesteden aan speculanten en investeerders? Een hallucinant idee, maar helaas niet onmogelijk. De recente economische ontwikkelingen wereldwijd leiden immers niet alleen tot een vermarkting van de productiegoederen, maar ook en steeds meer van diensten, ook als die traditioneel tot de opdracht van de overheid worden gerekend.

 

In de schoot van de Wereldhandelsorganisatie (WHO) is er een overeenkomst gesloten (GATS of General Agreements on Trade of Services) die de handel in diensten moet reguleren, en die ook onderwijs als een te liberaliseren dienst beschouwt. Zo voorziet de GATS-classificatie vijf subsectoren (lager, secundair, hoger, volwassenenj en ander onderwijs) die in aanmerking komen voor commercialisering. Als Europa daarop inschrijft, zullen de onderwijsministers van Europa de 'opdracht' krijgen om te onderzoeken welke hinderpalen deze trend in de weg staan en hoe ze die moeten opruimen. In de vrijhandelsfilosofie zijn bijvoorbeeld subsidies door de overheid een hinderpaal.

 

Ludo Abicht uit in de Standaard van 21/08/2002 zijn angst voor 'een evolutie naar een Amerikaans systeem met verwaarloosd openbaar onderwijs, florerende privéjscholen en onderwijscheques voor de meer bekwame kinderen uit de minderbedeelde klassen.'

 

Democratisch deficit

Internationale organisaties ontdekken onderwijs als een te exploreren markt en wenden al hun invloed aan om de organisatie en de doek, stellingen van onderwijs te onttrekken aan de nationale verantwoordelijkheid. De beslissingen in de schoot van de Wereld handelsorganisatie (zie de GATS) illustreren dat ook Europa zich uit louter economische motieven bemoeit met onderwijs.

 

Hier is sprake van een onmiskenbaar democratisch deficit. Nationale ministers, ook die van onderwijs, maken op aangeven van Europa samen afspraken die ze op het nationale vlak, onder de vlag van Europa, doordrukken, zonder enige democratische controle, laat staan inspraak van het sociale middenveld, de vakorganisaties. Als men Europa zijn ding laat doen, dan wordt onderwijs al snel een louter economisch géinspireerde bedoening.

 

Het is dus de vraag of de vakbonden hun strategie niet moeten bijsturen en bijvoorbeeld aandacht voor de internationale ontwikkelingen op het vlak van onderwijs veel sterker dan voorheen in hun structuur en werking moeten incorporeren. Kan de Vlaamse overheid onder druk van Europa en de Verenigde Staten bij monde van haar ministers van economie zomaar beslissen de poort van de vermarkting van het onderwijsdpen te zetten en zich in te schrijven in het concept van de GATS, zonder daarover een breed maatschappelijk debat aan te gaan? Wat zijn hiervan de gevolgen voor onze scholen, directies, leerkrachten en leerlingen? Minister Vanderpoorten heeft er zich in het parlement al over uitgelaten in negatieve zin. Maar blijft dit standpunt overeind voor elke vorm van onderwijs?

Het is dus duidelijk dat als deze trends zich allemaal doorzetten, onderwijs zal worden dooreengeschud met fundamentele gevolgen op het vlak van inhouden, toegang tot onderwijs, organisatie en werkomstandigheden. Bij alle voormelde trends moet men bovendien rekening houden met andere tendenzen: de eisen van het multiculturalisme, het in vraag stellen van de diplomacultus, het lerarentekort .

 

Als bij al dat maatschappelijk geweld de overheid zich terugtrekt'uit het onderwijs, ontstaat er een vacuüm waarin andere maatschappelijke sectoren, zoals het bedrijfsleven, zullen optreden. Dan ontstaat er ruimte voor meer lokale autonomie en commercialisering.

 

Vragen voor het congres

 

Wie zal dan de inhouden bepalen, wie de kwaliteit bewaken? Zullen de lesinhouden mee bepaald worden door het bedrijf dat de school sponsort? Welke waarden zal het onderwijs nog nastreven? Wordt het onmiddellijk utilitaire de enige norm? Verliest het tertiair onderwijs zijn universeel en kritisch karakter? Wie zal bekwaam geacht worden om les te geven? Wie zal toegang hebben tot onderwijs en tot welk, onderwijs? Hoe zal men omgaan met dualisering? Zullen de harde wetten van de economie niet automatisch een onderwijs met twee of meer snelheden produceren? Hoe zal onderwijs worden georganiseerd? Nog meer lokale autonomie? Hoe zullen de leerkrachten en de vakbondsafgevaardigden zich hierin kunnen manifesteren? Zullen werkdruk en stress verwaarloosbare en weggemoffelde verschijnselen worden? Hoe flexibel moeten we zijn? Hoe zal ons statuut evolueren? Het is nu al in de ogen van bepaalde onderwijshervormers veel te strak en. het laat veel te weinig ruimte voor onderwijsexperimenten. Hoe zal ons loon betaald worden, wie zal dat betalen, wat zullen de looncriteria worden? Wordt loon gekoppeld aan rendement, competentie, prestatie? Zal het loon bepaald worden door de lokale overheid en uitbetaald worden uit de gesloten enveloppe van de scholengemeenschap? Hoe moet de vakbond zich wapenen tegen al deze ontwikkelingen?

Uit:  BRANDPUNT (COC-vakorganisatie) oktober  2002  p. 39-40


terug