terug

 

2.2 De basisvorming

Basisvorming wordt omschreven als de kennis, vaardigheden en attitudes die jongeren in staat stellen op een kritisch~creatieve wijze te functioneren in de samenleving en een persoonlijk leven uit te bouwen. Deze minimale kennis, vaardigheden en attitudes worden uitgewerkt in eindtermen.

Er is een gemeenschappelijk pakket dat geldt voor alle jongeren binnen een graad. Daarnaast zijn er gemeenschappelijke doelen verbonden aan de doorstroomgerichte vorming die gemeenschappelijk zijn voor alle jongeren van eenzelfde onderwijsvorm. Samengevat betekent dit dat er per onderwijsvorm slechts één pakket eindtermen bestaat maar dat dit pakket niet noodzakelijk hetzelfde is voor de vier onderwijsvormen. Vandaar dat de eindtermen voor de vakken van de basisvorming per onderwijsvorrn zijn uitgewerkt. Dit belet niet dat heel veel eindtermen vaak over de onderwijsvormen (ASO, KSO en TSO) heen zeer gelijklopend zijn. De eindtermen voor lichamelijke opvoeding zijn voor de vier onderwijsvormen identiek.

2.3 De doorstroomgerichte vorming

De doorstroomgerichte vorming heeft tot doel de jongere voor te bereiden op de vereisten van vervolgopleidingen binnen het onderwijs, buiten het onderwijs en de vereisten van levenslang leren. De doorstroomgerichte vorming kan zowel langs de basisvorming als langs de beroepsgerichte vorming worden gerealiseerd.

2.4 De beroepsgerichte vorming

De beroepsgerichte vorming heeft tot doel de jongere voor te bereiden op de vereisten. gesteld aan een beginnende beroepsbeoefenaar. De beroepsgerichte vorming krijgt binnen de studierichting een concrete invulling in het fundamenteel gedeelte van de optie. Dit fundamenteel gedeelte van de optie bevat de specifieke kern van een studierichting. De einddoelen die daaruit voortvloeien zijn dan ook sterk gedifferentieerd naargelang van de studierichting, zowel met het oog op de toekomstige beroepsuitoefening als met het oog op doorstroming.

Het fundamenteel gedeelte van de optie wordt voor alle studierichtingen van het secundair onderwijs ingevuld aan de hand van basiscompetenties.

3.1 Eindtermen

Artikel 6bis, § 2 van de wet van 29 mei 1959 bepaalt: 'eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingengroep in Vlaanderen. Eindtermen zijn enerzijds een minimum aan kennis, inzicht en vaardigheden die alle leerlingen van de leerlingengroep verwerven tijdens het leerproces en anderzijds een minimum aan attitudes die de school nastreeft bij de leerlingen. De eindtermen worden vastgelegd-per graad en per onderwijsvorm. Er zijn vakgebonden en vakoverschrijdende eindtermen.

3.1.1 Vakgebonden eindtermen

Vakgebonden eindtermen worden uitgeschreven voor de vakken van de basisvorming. Onderwijsdecreet-IV bepaalt in artikel 55 uit welke vakken, de basisvorming van de tweede graad bestaat.

In het ASO:
- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (hiervoor worden geen eindtermen ontwikkeld)';
Nederlands;
Frans;
Engels;
wiskunde;
geschiedenis;
aardrijkskunde;
natuurwetenschappen of fysica enlof chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet
in een geintegreerde vorm;
lichamelijke opvoeding.

In het KSO en TSO:
- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (hiervoor worden geen eindtermen ontwikkeld)';
Nederlands;
Frans of Engels;
wiskunde;
geschiedenis;
aardrijkskunde;
natuurwetenschappen of fysica en/of chemie enlof biologie, al of niet "toegepast", al of niet
in een geintegreerde vorm;
lichamelijke opvoeding.

In het BSO:
godsdienst of niet-confessionele zedenleer (hiervoor worden geen eindtermen ontwikkeld)';
Nederlands.

- wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen enlof toegepaste fysica en/of toegepaste chemie enlof toegepaste biologie, al of niet in een geintegreerde vorm;

- maatschappelijke vorming of geschiedenis en/of aardrijkskunde;
- lichamelijke opvoeding.

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken".

In tegenstelling tot de B-stroom van de eerste graad werd voor de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs gekozen voor eindtermen, en niet voor ontwikkelingsdoelen. Bovendien werd geopteerd deze eindtermen, met uitzondering voor lichamelijke opvoeding, onder een geintegreerde vorm, m.n. project algemene vakken, uit te schrijven. Het staat echter elke inrichtende macht vrij het eindtermenpakket via de klassieke vakken (Nederlands, wiskunde en maatschappelijke vorming) te realiseren.

3.1.2 Vakoverschrijdende thema's

Op advies van de RSO van 21 mei 1996 besliste de overheid om de vijf vakoverschrijdende domeinen (leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie en milieu-educatie) uit te schrijven onder de vorm van thema's en subthema's. De RSO adviseerde "de vakoverschrijdende gebieden te beperken tot het formuleren van thema's waaraan de scholen verplicht moeten werken. Het is aan de scholen om zelf of een creatieve wijze na te denken over de concrete invulling van een vakoverschrijdende thema, en dit in overeenstemming met het eigen opvoedingsproject. Een dergelijke opstelling van overheidswege geeft ruimte voor de noodzakelijke creativiteit."

Het feit dat art. 6 van de wet van 29 mei 1959 alleen vakoverschrijdende eindtermen en geen thema's kent, maakt dat op dit vlak deze wet moet worden aangepast.

3.2 Basiscompetenties

Artikel 6bis § 2 van de wet van 29 mei 1959 stelt ook:

"In de tweede, derde en vierde graad kan de Vlaamse regering, op eensluidend advies van de Vlaamse Onderwijsraad, specifieke vakgebonden eindtermen bepalen. Dit zijn eindtermen die betrekking hebben op het fundamenteel gedeelte van de optie."

Vooral vanuit BSO, KSO en TSO rezen hier twee fundamentele problemen. Het decretaal verankeren van deze specifieke eindtermen zou tot gevolg hebben dat men in de toekomst onvoldoende soepel kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen in de technologie, in het beroep en op de werkvloer.

Daarnaast viel het moeilijk te rijmen dat wat het specifieke gedeelte van een studierichting betreft een beginnende beroepsbeoefenaar "slechts" moet voldoen aan minimumdoelstellingen. Integendeel het bedrijfsleven heeft de terechte verwachting dat de beginnende beroepsbeoefénaar over de nodige vaardigheden, kennis en attitudes beschikt, wil hij op een volwaardige wijze aan de slag gaan.

Daarom werd geopteerd voor basiscompetenties. Basiscompetenties zijn einddoelen inzake kennis, vaardigheden en attitudes die via het fundamenteel gedeelte van de optie verworven worden en die op initiatief van de overheid en in overleg met de onderwijsverstrekkers opgemaakt en afgeleid zijn van studieprofielen of beroepsopleidingsprofielen.

De keuze voor basiscompetenties werd doorgetrokken naar alle onderwijsvormen omdat men de onderwijsvormen op dezelfde wijze wilde behandelen. Bovendien kan men stellen dat ook in het ASO de studierichtingen een niveau dienen te bereiken dat de leerlingen moet in staat stellen met reële kansen op slagen, hoger onderwijs aan te vatten.

Basiscompetenties worden bij besluit opgelegd nadat ze in convenants tussen de overheid en de onderwijsverstrekkers zijn vastgelegd. In een decreet zal de overheid de criteria voor het afsluiten van convenants en de criteria waaraan basiscompetenties moeten voldoen, bepalen.

Net zoals voor de eindtermen zullen ook de basiscompetenties op een herkenbare manier in de leerplannen moeten worden verwerkt. Dit zal een voorwaarde voor goedkeuring door de overheid zijn.

De basiscompetenties voor beroepsgerichte studierichtingen worden afgeleid uit een of meer beroepsopleidingsprofielen die op- hun beurt gebaseerd zijn op beroepsprofielen. Voor heel wat studierichtingen uit het KSO en TSO kan men niet stellen dat ze uit beroepsprofielen afgeleid zijn. We denken aan bepaalde studierichtingen uit het studiegebied handel, mechanica-elektriciteit, beeldende kunsten, e.d. De basiscompetenties worden hier afgeleid uit een studieprofiel dat aan de hand van einddoelen de specificiteit van een studierichting bepaalt.


 

VVKSO Medl. 17 nov 98

 

terug