TERUG NAAR TEKST

LESTIPS
VOOR SUCCESVOL LESGEVEN
IN DE INITIATIESTAGE

P.Timmermans

1. BEGIN

Richt je tot alle leerlingen (oogcontact!). Zeg kort, duidelijk en vriendelijk goeiedag (enz.) Doe het pas als de leerlingen kùnnen opletten: wacht even wanneer er nog teveel laatkomers binnenrukken. Laat merken dat jij er wil aan beginnen en dat jij er met hén echt iets wil van maken. Op die manier zet je van in het begin de juiste toon.

2. VOORAF

Wat moeten de leerlingen eerst klaarleggen of uit hun boekentas nemen? Zeg het zodat iedereen het gehoord heeft. Begin dán pas inhoudelijk.

3. INLEIDING

Verlies geen zee van tijd met je inleiding. Een inleiding is een inleiding en geen hoofdzaak. De inleidende fase moet leerlingen vooral op het spoor zetten van de nieuwe les. Neem van in het begin een goed tempo aan zodat de hoofdbrok van je les alle aandacht krijgt.
Een toffe inleiding is niet per definitie een goede inleiding.
"Wat hebben jullie vanochtend gegeten?" is een te verre aanloop als het gaat over de armoede in de derde wereld. Gaat het om een les over voeding, dán zelfs is de vraag te vrijblijvend.
In een inleiding moet de leerkracht niet altijd het woord voeren.
"Noteer wat je vanmiddag at. Trek nu twee kolommen: schrijf links essentieel en rechts overbodig." Op deze manier kan je activerende inleiding een naadloze brug vormen naar de kern van je les.

4. UITLEG

Hou de uitleg of instructie kort en helder.
Wanneer wordt het saai? Beeld je even in dat jij zelf daar in de les zou zitten.
Merk je dat de leerlingen jou volgen en dat ze jou verstaan? Dan is het goed. Heb je dat niet in de gaten, dan ben je teveel bezig met jezelf.
Kijk de leerlingen aan terwijl je spreekt! Laat zien dat je het belangrijk vindt dat ze állemaal doen wat je van hen verwacht.
Check tussendoor of de leerlingen de redenering kunnen volgen.
Herhaal of laat herhalen zeker als het om iets essentieels gaat.

5. VRAGEN

Stel gericht vragen. Dat hangt uiteraard af van je lesbeheersing en van je intentie om bij leerlingen antwoorden te ontlokken die ze in deze materie en op dit moment van de les aankunnen. Stel dus vragen die ze kúnnen beantwoorden. Overstelp hen niet de hele les met vragen. Voor je een vraag formuleert, vergewis je of de leerlingen aan het luisteren zijn. " Is mijn vraag zinvol en kan ik er zelf een helder antwoord op geven? "
Stel de vraag klassikaal en duid dan pas iemand aan.
Pas een antwoord (of inbreng) van een leerling zo soepel mogelijk in je lesschema in. Is het gegeven antwoord onvolledig of fout, dan kan je andere leerlingen aanspreken. Om bijvragen te voorkomen, is het best om een korte inkleding of aansluiting te bedenken vóór je de denkvraag stelt. Anders moeten de leerlingen raden wat jij op je blad staan hebt.

 

6. BORD

Beschouw je bord als een bondgenoot en niet als een tegenstrever.
"Weet je het krijt liggen? Is er plaats op het bord? Kan ik beginnen op een proper bord? Weet ik vooraf waar ik wat zal schrijven? Waar komt de titel? Waar komen de opgaven? Waar komen de nieuwe woorden? Moet ik vooraf iets aanbrengen? Wat doe ik met de oplossingen?"

7. MODERNE MIDDELEN

Heb je een powerpoint-presentatie voorbereid, test VOORAF (tijdig) alles uit. Dat geldt ook voor overhead, video en CD-speler.
Denk VOORAF aan de lengte van het snoer, aan de gordijnen, aan de projectie-mogelijkheden op de muur en beredeneer vooraf hoe je bord en transparant (of powerpoint) kan combineren tijdens de les.

8. BEGELEIDING

Blijf niet gekluisterd aan het podium als je leerlingen aan het werk zet. De eerste twee minuten kan je al denken aan het vervolg van je les of breng je alles in gereedheid om de klassikale afhandeling van de taak efficiënt aan te vatten.
Begeleiden begint al door goed te kijken wie nog moet beginnen, wie de opgave niet snapt, wie al vroegtijdig klaar is, of de ganse klas goed op weg is... Begeleiden is veel meer dan rondlopen in de klas. Motiveer de leerling die het nodig heeft. Kan een leerling niet mee, begin dan niet voor te zeggen maar breng bv. het stappenplan in herinnering.

9. LEERKLIMAAT

Benader de klas met een positieve ingesteldheid. De leerlingen zullen je niet "opeten".
Ga dus niet als oproerpolitie tekeer maar breng een positieve leer- en werksfeer tot stand. Door goed in de gaten te houden wat er gaande is in de klas, voorkom je beslist tuchtproblemen. Een goede begeleiding (8) draagt bij tot een positief klimaat.
Treed kordaat op als het echt nodig is maar wees niet bitsig.
Een goede les die goed in mekaar steekt, is een wondermiddel tegen tuchtproblemen.

10. EINDE

Hou de timing van je les goed in de gaten, zodat je niet verbaasd opschrikt bij het belsignaal. Soms begint de les door omstandigheden te laat of veel te laat. Kan jijzelf beslissen, kies dan in de loop van de les al om op een degelijke wijze af te ronden. "Komt mijn lesdoel in het gedrang als ik deze tekst, deze oefening nog geef? Laat ik niet beter deze illustratie wegvallen?" Op een gunstig moment kan je eventueel bij de leerkracht informeren.


TERUG NAAR TOP

TERUG NAAR INDEX ONDERWIJSLEERPRAKTIJK

TERUG NAAR INDEX VAN DE ALGEMENE DIDACTIEK

All rights © P. Timmermans