P. Timmermans ©

DE PEDAGOGISCHE VISIE VAN M. BUBER

OPVOEDEN ALS DIALOGEREN

TERUG NAAR INLEIDING PEDAG. VISIES

VERANTWOORDING

De dialogale pedagogiek van Martin Buber blijft actueel: 1. in een media- en consumptiewereld waar de persoonlijke ontmoeting gefunctionaliseerd wordt, 2. in een onderwijs dat op zoek is naar het hart van de relatie leerkracht - leerling; 3. in de strijd tegen het disciplineren als opvoedingsremedie, en 4. tegen de achtergrond van wereldconflicten i.c. het Joods-Palestijns conflict.

 

 

Volgens de dialogale pedagogiek steunt het traditioneel opvoedingsdenken op een abstract basisidee van wat opvoeden eigenlijk is: nl. in-grijpen primair gedragen door gezag van buitenaf ( ook als dat baadt in een vertrouwensvolle relatie). Het traditionele denken gaat er van uit dat opvoedingsnormen niet IN elk kind aanwezig zijn maar aangebracht moeten worden.

Voor de dialogale pedagoog is een opvoedingsnorm essentieel een intersubjectief gegeven dat groeit en bestaat binnen de pedagogische relatie in een concrete leefsituatie.
De dialoog tussen opvoeder en opvoedeling openbaart iets dat niet van buiten af komt maar dat de jonge mens in ontwikkeling herkent als iets dat hij in zich draagt.
Deze dialoog onthult en schept. Dialogale opvoeden is een creatief gebeuren dat niet buiten de menselijke ontmoeting staat maar juist bestaat in de echte menselijke ontmoeting.
Waar de mens werkelijk moet van uit gaan, is iets anders dan een standpunt; de opvoeder vertrekt best niet van algemene beginselen maar, van zijn verbondenheid met de veelduidige werkelijkheid waaruit hij zijn vormingsstof kiest . Criterium is de doorleefde situatie (naar Martin Buber).

BUBER (rechts) in dialoog met o.a. Yehudi Menuhin


DE denker van de dialogale pedagogiek bij uitstek is de Joodse Duitstalige pedagoog MARTIN BUBER (1878-1965). BUBER schreef rond 1920 o.a. over opvoeding in Ik en gij, in Voordrachten over opvoeding: autobiografische fragmenten over opvoeding (Bijleveld uitg.).
Ook aanbevolen: J.Sperna Weiland e.a., Martin Buber. Baarn, Het Wereldvenster, 1978
R.Misrahi
, Martin Buber. Parijs, Seghers, 1968.

Voor M. BUBER moet in de opvoeding aan het te voorschijn halen (het onthullen) een beslissende, essentiële betekenis toegekend worden. (Herkennen we hier niet de visie van de Griekse wijsgeer Socrates? )
Traditionele opvoeding komt neer op de trechtermethode: het erin pompen van waarden, gegevens, meningen, dat Buber samenvat onder de term "propaganda". Wij zouden hier spreken van dressuur of indoctrinatie.
Opvoeding is volgens BUBER het eruit halen van wat LATENT aanwezig is : dit is niet iets dat in alle kinderen hetzelfde is wat men gemakshalve samenbalt tot het algemeen goede dat in DE mens dus ook in elk kind zou aanwezig zijn. Het goede, de unieke kwaliteiten, de latente individuele mogelijkheden in ieder mens zijn volgens BUBER (niettegenstaande veel gemeenschappelijks) niet te vereenvoudigen tot een gemeenschappelijke noemer. Dat zou een aanfluiting zijn van het meest wezenlijke in elke mens.
Maar DAT elke mens een positieve aanleg bezit , daar twijfelt BUBER niet aan.
"Het ontbreekt bij niemand, hoe afschuwelijk allerlei beschadigingen ook zijn die zich vanaf de moederschoot (...) kunnen voordoen."

Wat houdt dan het opvoeden in volgens Buber ? Wat bedoelt hij met het doen ontluiken? Waarin schuilt de opvoedingsact dan?
Het is niet de inhoud van wat men in de opvoeding verkondigt die opvoedt, maar wel de sprekende stem.
Het is niet datgene wat men onderwijst , maar wel het er zijn van hem of haar die onderwijst, tenminste als dat alles is ingegeven door de opdracht tot opvoeden.
Opvoeden is meer en anders dan de latente positieve aanleg naar boven pompen. Het doen ontluiken zou verkeerdelijk kunnen geïnterpreteerd worden in de stijl van een tuinier: want dan zou de opvoeding volstaan met het scheppen van het gunstige milieu en het kind daarin bescherming bieden. Voor Buber is opvoeden wezenlijk ontmoeten.
Zijn pedagogische visie is verbonden met het basisgegeven van het menselijk bestaan : de mens is maar mens als mens - met- de -mens , aldus Buber. Volledig mens-zijn is het in relatie staan met de medemens.
De mens is wezenlijk geroepen tot de ontmoeting met de andere mens, met de natuur en met de wereld van kunst, wetenschap , psalm, natuur en mens. Die andere kan ook God zijn. Vandaar is God voor de mens eerder de inwonende (immanente) God dan de God die boven ons staat (transcendent).

Relatie voedt op, mits het een echte relatie is.

De mens ervaart zijn mens-zijn niet op de eerste plaats in het bewust zijn van het andere, van de ander en van de Andere, wel in het concreet ervaren van de innerlijkheid van dat andere of die andere.
Ontmoeten is de wereld 'schouwen' . Kleuren zien is de ziel van de kleuren ervaren en inzien.
Overal in het werk van Buber staat de directe relatie met de levende wereld van de mens en zijn inzicht in die ervaringen centraal.
Erg interessant zijn zijn persoonlijke ervaringen.

Als driejarige werd Martin Buber, na de scheiding van zijn ouders, opgenomen in het huis van zijn grootouders. Op de veranda mocht hij spelen onder de hoede van een ouder meisje.
Wij leunden beiden tegen de balustrade. Ik kan me niet herinneren dat ik met haar over mijn moeder had gesproken. Maar ik hoor nog hoe het grote meisje tegen mij zei: Nee, ze komt nooit terug. Ik weet dat ik niets zei maar ook dat ik niet getwijfeld heb aan de waarheid van het gesproken waarheid. (...) Ik vermoed dat alles wat ik in de loop van mijn leven heb geleerd over de echte ontmoeting zijn oorsprong had in dat uur op het balkon.
Uit: Martin Buber, Autobiografische fragmenten over opvoeding p.88

Opvoeden is gij-zeggen. Onze verbondenheid met het kind over wie ik mij pedagogisch ontferm wekt in hem de verbondenheid (het gij-zeggen tegenover de wereld) . Dat gij-zeggen is niets anders dan ons echt leven met dat kind.

De wereld is tweevoudig : er is de wereld van het 'het' en de wereld van het 'gij'. In de ik-het relatie wordt geen innerlijke relatie gelegd met de wereld. Men ziet de wereld als iets dat tegenover zich staat.
In ons bewustzijn van de ander (ik-het relatie) kan ik de ander of het andere nastreven, opzoeken, vergeten of ordenend begrijpen. Het-zeggen is functioneel, rationeel-intentioneel. Het gij in de ik-gij relatie laat zich niet berekenen, bezitten of grijpen . Er is geen afstand zoals de ene ook niet opgaat in de andere (bezittende liefde). De andere blijft de andere. De ruimte van de ik-gij relatie is van een andere orde dan de aardrijkskundige en historische omgang met de wereld. De ik-gij relatie grijpt niet plaats in het ik of in het gij , maar het schept een totaal andere ruimte en tijd: de sfeer van het tussen, een andere dimensie dan L, B , H. Ik word meer 'ik' in contact met het gij.

 

De ik-gij relatie met de wereld (van mens, dier, kunst, natuur, God, ... ) is gekenmerkt
door:
1. wederkerigheid ( latent en impliciet aanwezig, waarbij de ik-gij relatie met een mens manifest en expliciet kan genoemd worden);
2. een uniek aanwezig - zijn (present-zijn) bij de andere;
3. totaal ( wezenlijk, niet vanuit een rol of status);
4. wederzijdse verantwoordelijkheid /liefde (ethisch aspect).

Al willen we - zegt Buber - in ons gij-zeggen evenmin ingrijpen als de hemel en het bos, zo is ons gij-zeggen iets geweldigs ingrijpends.
Op de totaliteit van de opvoedeling werkt alleen de totaliteit van de opvoeder werkelijk in; de opvoeder moet - nog steeds volgens Buber - geen moreel genie zijn, om karakters op te voeden maar hij moet een geheel en levend mens zijn die zich
rechtstreeks (zonder camouflage... ) meedeelt: zijn levende directheid straalt op het kind uit en beïnvloedt het karakter het sterkst en het zuiverste als hij er helemaal niet aan denkt hem te willen beïnvloeden. Als de leerlingen bemerken dat ik hun karakter wil opvoeden, dan willen ze zich niet laten opvoeden. De enige toegang is het vertrouwen.
Wat is dan karakteropvoedend?
Alles stempelt in: de natuur en het sociale milieu, het huis en de straat , de taal en de gewoonte, de wereld van de geschiedenis, de media , de techniek , de muziek, het spel , de droom... En temidden van deze instempelende veelheid staat de opvoeder - het enige element dat met zijn wil aan de instempeling bewust kan deelnemen.
Dicteren wat goed is en wat kwaad is, dat is niet het werk van de opvoeder maar antwoorden op de concrete vragen, antwoorden wat in een concrete situatie juist en fout is, dat is zijn werk, in een sfeer van vertrouwen dat (men niet najaagt maar) verwerft in verbondenheid met de opvoedeling.
Pedagogisch vruchtbaar is niet de pedagogische bedoeling maar de pedagogische ontmoeting.

Opvoeden is opvoeden als het een echte dialoog is
waarbij de opvoeder (op school: de leerkracht) het kind (op school: de leerling) bij de hand neemt en zich ten volle zonder reserve geeft
en wijst naar een werkelijkheid: een venster opengooit op een stuk van de werkelijkheid, zodat het kind (de leerling) de wereld echt kan 'schouwen'.
Men kan de echte dialoog zelfs zwijgend voeren (misschien het toppunt van dialogeren) maar nooit afdwingen ( omwille van de weerstanden die dan worden opgewekt).
De sfeer van het Tussen voedt op.

De dialoog van de leraar (de opvoeder) met de leerling vertoont
verbondenheid (Beziehung) en tegelijk
ascese (Distanz).

Het is een relatie van wezen tot wezen op gelijkwaardige basis waarbij niet de ene bijbrengt en de andere ontvangt. Er grijpt een echte uitwisseling van ervaringen plaats.
Maar! De leraar is verantwoordelijk voor de beide kanten van de tweespraak. De leerling draagt in een pedagogische relatie geen verantwoordelijkheid voor de opvoeder. Daarom noemt Buber de pedagogische ontmoeting een onvolledige ontmoeting.

 

 


TERUG

 TERUG NAAR HOOFDPAGINA   

 TERUG NAAR INDEX ALG. PEDAGOGIEK

TERUG NAAR VISIES IN DE PEDAGOGIEK    

ALL RIGHTS RESERVED © P. Timmermans