P. Timmermans ©

DE PEDAGOGISCHE VISIE VAN LANGEVELD

TERUG NAAR INLEIDING ALG.PED.

" Wat moet je nou met pedagogiek? Iedereen voedt zijn kinderen toch op!
Je zou juist zeggen: reden te meer." (Langeveld)

De Nederlandse pedagoog LANGEVELD is te beschouwen als de pionier van de fenomenologische beoefening van de gevestigde pedagogiek in de twintigste eeuw (Beknopte theoretische pedagogiek. Wolters- Noordhoff, 1971). Zijn fenomenologische kijk (= opvoeding niet als begripsinhoud maar als verschijnsel bekijken) is geen methode maar een manier van benaderen (een stijl) die in schril contrast staat met de traditionele beginselpedagogiek in de eerste helft van de twintigste eeuw. Bijv. de deductief-dogmatische pedagogie à la HOOGVELD is een normatieve (moraalfilosofisch getinte) bezinning over opvoeding die enkel voor gelijkgezinden iets opleverde (=vanuit beginselen) en dus andere 'gezindheden' uitschakelde.
"Om het kind en de opvoeding van het kind te begrijpen ,aldus LANGEVELD, moeten we het in de concrete leefsituatie (Lebenswelt) "ontmoeten".
Langeveld betrekt in zijn visie meerdere mogelijke leefwereld-ervaringen én vertrekt dus niet van één welbepaalde menselijke ervaring of levenswijze. Volgens hem dient de wetenschappelijke beoefenaar van de pedagogiek door te stoten tot het wezenlijke van het opvoedingsverschijnsel.
Een typisch voorbeeld is LANGEVELDs beschrijving van de verhouding ouder-kind. Dit 'ontmoeten' van het pedagogisch 'object' veronderstelt méér dan alleen maar het beschrijven en structureren van het fenomeen. Daarvoor is meer nodig dan een zgn objectieve verstandelijke aanpak. Mede door middel van intuitie en onbevooroordeelde inleving moet de pedagoog binnendringen in de ware aard van het opvoe-dingsverschijnsel . (A.h. w. het perkament tegen de lamp houden opdat de vezelstructuur van het object zich blootgeeft). De liefdevolle verzorging van het kind betekent bestaanszekerheid en een fundamenteel gevoel van geborgenheid. Het kind vertoont initieel een 'sociaal tekort': het neemt deel aan gewoonten, tradities en hiërarchische relaties tussen mensen in het gemeenschapsleven. Het kind vindt in de volwassene een voorbeeld en leert wat het aankan. In het spel kan het kind met de wereld in open contact treden, nabootsend en ontdekkend.
Deze analyses en bezinningen monden volgens Langeveld wel uit in richtinggevende en normatieve momenten. Anders ontbreekt voor hem het typisch pedagogische in het beoefenen van pedagogiek. De analyses van de feiten van de "Lebenswelt" moeten volgens hem richtinggevend zijn voor een pedagogisch relevante handeling of handelingsplanning. (al was het maar het ter beschikking stellen van mogelijkheden).
"De pedagogiek is een wetenschap die haar object niet slechts wil kennen om te weten hoe de dingen zijn maar wil ook dit object leren kennen om te weten hoe op kortere of langere termijn gehandeld moet worden".
Daarom noemt men Langevelds pedagogiek praktisch-normatief.

 

Het pedagogische ligt in: opvoedingshulp

Elke act is volgens Langeveld pedagogisch te noemen als we daarin het kind een beeld aanreiken van de volwassenheid of helpen de weg daarheen te vinden. Zelfs in de materiële verzorging en gezondheidszorg van de opvoedeling steekt volgens Langeveld een normatief bepalende arbeid die hij 'pedagogisch' noemen.
Elk werk dat een kind het beeld helpt vinden of aangeeft dat hem meer in staat stelt het leven van een mens te leven, is pedagogisch werk.
De wijsheid der opvoeding ligt niet in het onthullen maar in het beschikbaar stellen van de beelden.
Ook het milieu is een beeldcreatie van de mens. Dat hebben de Amerikaanse cultuuranthropologen overduidelijk aangetoond wanneer ze primitieve culturen en de menswording daarin onder de loep namen. Het menselijk milieu is onontbeerlijk voor de evenwichtige ontwikkeling van het kind. De kinderen zijn niet alleen aangewezen op anderen voor voeding, beschutting, bescherming en hygiêne, maar ook om affectie en erkenning te krijgen, is iemand anders nodig. Een sociale band is onontbeerlijk om cultuur mee te krijgen. (cfr. de wilde van Aveyron).
Langeveld zegt dat dit pedagogisch werk in onze samenleving primair de taak is van de ouders die daarbij de steun én de belemmering ondervinden van hen die hij beelddragers noemt. (Of het in praktijk de ouders zijn die deze primaire taak op zich nemen, dat is van secundair belang).
Beelddragers betreffen datgene wat in die bepaalde samenleving doorgaat als wenselijke of toelaatbare gestalte van de mens. (cfr. de Barbiepop als beelddrager).

Beelddragers ontnemen volgens Langeveld hoegenaamd niet de weg of mogelijkheid tot zelf-creatie (wat nieuw is voor het kind). Want de persoonsontwikkeling berust niet alleen op een mechanistisch proces (cfr.als een robot overnemen).
Het gaat eigenlijk om een dubbel-proces (een wisselwerking tussen kind en pedagogisch milieu).


Pedagogische omgang en pedagogisch gezag

Het gebied waarbinnen de opvoeding gestalte krijgt is voor Langeveld de omgang tussen volwassenen en kinderen waarbij de volwassene invloed uitoefent op het kind tenminste als dit alles gedragen wordt door wederzijds vertrouwen en liefde.
In Langevelds visie is het kind - van nature hulpeloos- aangewezen op algemeen geldende waarden en normen . De volwassene moet het op te voeden kind helpen (= pedagogische hulp bieden) om zijn bestemming te vinden: dat kan er maar één zijn: persoon-zijn, mens worden .("
Mensen worden niet geboren. Inleiding tot de pedagogische waardenleer. Nijkerk, Intro,1979)

Het is de volwassene die de maatstaven van de mensenwereld verpersoonlijkt en die de noodzakelijke bakens zet. Langeveld is van oordeel dat het de opvoeder is die het kind vrij maakt van dwang aan de natuur door het te leren gehoorzamen aan het hoogste gezag. Het kind ontvangt de vrijheid van wie hem opvoedt. Kenmerk van de menselijke ontwikkeling is dat zij 'onbestemd' is , alle kanten op kan en precies daarin is het kind op opvoeding aangewezen. Het is de opvoeder die opvoedt ,want hij heeft kijk op de menselijke bestemming van zijn kind. Het pedagogisch gezag 'schept' de vrijheid.
Langeveld situeert de kern van het opvoeden in het pedagogisch handelen met intentie. Intentionele opvoeding gebeurt via opvoedingsmiddelen : persoonlijke inwerking , leiding ,bescherming, beloning, straf, gesprek...kortom het pedagogisch ingrijpen is voor Langeveld de pedagogische kern. Ingrijpen betreft niet zozeer het ingrijpen op de opvoedeling alleen maar evenzeer het 'minder opvallend' herstructureren van de pedagogische situatie.
Het pedagogisch gepreformeerd veld is de omgang tussen opvoeder en opvoedeling. Hier ontspringt het eigenlijk "opvoeden als ingrijpen" van zodra de opvoeder een richtlijn kiest en aanwijst, m.a.w. een gezagsdaad stelt. Aan alle pedagogisch gezag ligt de identificatie van de opvoedeling met de opvoeder(hij is het plaatsvervangend geweten) ten grondslag en daarvoor is een vertrouwensrelatie onontbeerlijk. Anders is er alleen sprake van onderwerping en van overmacht. Het kind is pas rond drie - vier jaar vatbaar voor pedagogisch gezag (taal/ verstand). Voordien kan men volgens Langeveld het hebben over voorbereidende opvoeding.

Pedagogische invloed is ook mogelijk wanneer de opvoeder geen intentie heeft (=onwillekeurig) om een gezagsdaad te stellen. Dit betreft dus opvoedingsfactoren. Oftewel functionele opvoeding in plaats van intentionele opvoeding.
Bijv. het voorbeeld zijn, het persoonlijk denken en doen van de opvoeder in de wereld werken ook onrechtstreeks in op het kind: toewijding, trouw, hulpvaardigheid , bescheidenheid, aandacht en respect voor de medemens, voor de dieren en voor de dingen rondom hem.

Het geheel van de opvoeding

Tot het geheel van de opvoeding rekent LANGEVELD
- het opvoeden als handelen dat bewust gericht wordt op het bereiken van een opvoedingsdoel
a. DRESSUUR
b. GEWOONTEVORMING
c. ZELFVERANTWOORDELIJKE ZELFBEPALING
P.S. Voor Langeveld kan de mens zelf niet bepalen hoe hij wil leven (= de maatschappij normeert) . De mens kan wel doorheen de opvoeding bepalen vanuit welke waarden hij zijn leven richting geeft.
Zelfv. Z.Bep. houdt volgens L. ook de verantwoordelijkheid voor anderen in (eenmaal een kind , ben je ouder, dus geen kind meer). De kern van het opvoeden situeert hij uiteindelijk hier.: opvoeden met de intentie er een mens met zelfverantwoordelijke zelfbepaling van te maken.
- het persoonlijke milieu oftewel de persoonlijke omgang tussen opvoeder en kind die rechtstreeks of onwillekeurig ingezet wordt , voor Langeveld hét prototype voor het kind van àlle persoonlijke omgang.
- het zakelijke milieu (voeding, kleding, huisinrichting, comfort, speelgoed , media, ...), voor Langeveld hét prototype voor het kind van alle zakelijke omgang.

Langeveld erkent dat volwassenen niet voortdurend opvoeden met een doel voor ogen. Het zakelijke en persoonlijke milieu vormt dus het voorportaal van het eigenlijk opvoeden dat plaatsvindt wanneer opvoedingsfactoren omslaan in opvoedingsmiddelen.

Volgens HARRIS (1998) zou de identificatie met leeftijdsgenoten belangrijker zijn dat identificatie met de ouders. Voorts laat Langeveld de ervaringen onvermeld van kinderen met volwassenen die werken, ruziemaken of zich ontspannen.

Langevelds ideeën zijn verweven met het personalisme en de existentiefilosofie.


TERUG

 TERUG NAAR HOOFDPAGINA   

 TERUG NAAR INDEX ALG. PEDAGOGIEK

TERUG NAAR VISIES IN DE PEDAGOGIEK    

ALL RIGHTS RESERVED © P. Timmermans