TERUG

SYNTHESE: PSYCHOLOGIE VAN DE WAARNEMING

 

NAAR OEFENINGEN op de psychologie van de waarneming

WAARNEMING = ZINVOLLE INTERACTIE tussen Persoon en Situatie

> (meer dan) PASSIEF REGISTREREN van de input

WAARNEMEN = EEN COMPLEX PROCES

interactie tussen

top-down betekenis geven (3) 

spontane organisatie van de prikkels tot een geheel (2) 

 Bottom-up gewaarwording (1)

1. Fysische prikkel (=> Oefening 1&2)

Waarneming van FYSISCHE PRIKKELS VAN DEZELFDE SOORT

met VOLDOENDE INTENSITEIT <= ABSOLUTE drempelwaarde

(bovengrens en benedengrens: signaaldetectie)

met VOLDOENDE ONDERSCHEID <= DIFFERENTIËLE drempelwaarde

 

|=> herkenningsdrempel

sensorische aanpassing

sensorische deprivatie

selectieve aandacht (=> AANDACHTSTEST)

fysiologische factoren

psychische factoren

tijdsfactor

 

2. Organisatie van de waargenomen prikkels (=> Oefening 3&4)

Prikkels tegenover elkaar

Constanties

Prikkels in beweging

Optische illusies

Diepte

 

We groeperen spontaan => groeperingswetten

(bv. vormen waarnemen)

Gestaltvorming = geheel meer en anders dan optelsom

3. S herkennen en betekenis toekennen (=> Oefening 1, 2, 5 & 6)

Niet alle objectief waarneembare prikkels worden subjectief waargenomen:

= interactionisme

 

top-down

|

bottom-up

top-down = bijv. betekenis (abstracties) waarnemen en niet concrete prikkels

 

Betekenisopbouw vanuit

vooringenomenheid

verwachtingen

motivatie

context

sociale druk

cultuur

waarnemingsschema's

=> Er ontstaan problemen en fouten in de waarneming

 

4. Andere mensen waarnemen (=> Oefening 5 & 6)

= betekenis toekennen in interactie met bottom up.

We kennen kenmerken toe aan menselijk gedrag dat we waarnemen:

- op basis van informatie

- zonder informatie

attributiefouten=

intern

extern

 

Wat men waarneemt, wordt niet alleen bepaald door de zintuiglijke prikkels, de binnenstromende informatie (BOTTOM-UP), maar ook door de betekenisgeving (TOPDOWN). Het waarnemingsproces is interactief.
Bijvoorbeeld: de waarnemende persoon is selectief aandachtig. Die selectie wordt enerzijds opgedrongen door de prikkels zelf (bv. de beweging, intensiteit, contrast met vroegere stimuli). Anderzijds zal hij alleen die informatie waarnemen die op dat ogenblik voor hem relevant is:
1. vooringenomenheid (perceptuele hypothese),
2. de context (bepaald gedrag geplaatst in een andere context wordt anders gepercipieerd),
3. de verwachtingen en gewoonten,
4. de motivatie om die bepaalde prikkels in zich op te nemen,
5. cultuur, opleiding en opvoeding (bv.een leerkracht bij een groep jongeren ziet precieser wat er daar gebeurt, iemand zonder opleiding niet of te laat),
6. sociale druk (neiging tot conformisme),
7. typische kenmerken van de waarnemende persoon (stemming, karakterieel ...).

Gedrag is meestal het resultaat van zowel interne als externe factoren:
oorzaken in de persoon zelf en oorzaken die met de situatie te maken hebben.
Als we dingen en mensen waarnemen, bereiden waarnemingsschema's (bv. voorkennis) ons voor om de informatie die we opnemen een plaats te geven.
Wanneer we bv. een leerling die we observeren kennen, is onze waarneming het minst vertroebeld als de informatie systematisch, objectief opgebouwd wordt.
Hebben we van de leerling een onvolledige of oppervlakkige waarneming, zijn attributiefouten (aan welke oorzaak ligt het?) niet te vermijden.
Bv. We sluiten gemakkelijker mogelijk andere oorzaken uit (=> meerdere oorzaken kunnen aan de basis liggen van gedrag)
Bv. We hebben in ons attributieproces de neiging om één oorzaak op te blazen.
Behoren we tot de eigen groep (in-group) dan schrijven we gemakkelijker positief gedrag toe aan de persoon (interne attributie). Staan we buiten de waargenomen groep (out-group), zullen we gemakkelijker intern attribueren (de schuld van de mislukking ligt bij de leerling zelf).

TERUG

Naar de OEFENINGEN op de psychologie van de waarneming


ALL RIGHTS © P.Timmermans 2004-2005

Deze pagina behoort tot: http://opvoedkundePT.bravepages.com