terug naar index opvoedkunde 1AV/VV

INSTAP ALGEMENE PSYCHOLOGIE

Deze sessie is bedoeld om essentiële basisbegrippen uit de psychologie (menselijk gedrag, uiterlijk/ innerlijk aspect, context of milieu, inhoud van de blackbox, wetenschappelijke benadering, ) betekenis- en toepassingsgericht te assimileren.
Dit elementair jargon vormt het vertrekpunt voor de opvoedkundige studie van ontwikkeling.

 

TAKEN 1, 2, 3 <klik

 

1. Psychologie is de wetenschappelijke studie van het menselijk gedrag.
1 2 3

1. = beschrijven (1) en verklaren (2) van het gedrag van mensen:
- centrale bekommernis van de psychologie = de waarom-vraag (zoeken naar betekenis)
- psychologie gaat verder dan gewone mensenkennis die intuïtief tot stand komt.
- systematisch: verwijst naar het opbouwen van kennis over het menselijk gedrag via een welbepaalde methode ; het vaststellen (waarnemen) en het betrouwbaar controleren van het inzicht.

2. "menselijk" : betreft de mens (heeft in de psychologie geen morele betekenis!).
De psychologie wil vooral vat krijgen op onbegrijpelijk gedrag, niet-begrepen gedragingen. Alledaags (normaal) gedrag roept minder om een psychologische benadering of duiding. Begrijpengoedkeuren.

3. Gedrag/ gedraging/ gedragsreactie :

In elk menselijk gedrag is een uiterlijk en een innerlijk aspect aanwezig. Het uiterlijk aspect is de zichtbare bovenlaag van het menselijk gedrag.
Het innerlijk aspect of de onderlaag van menselijk gedrag (= de BLACKBOX) is voer voor psychologen.

 

 

2. Voorbeelden van menselijk gedrag tonen aan
- dat het uiterlijk en innerlijk aspect te onderscheiden zijn maar niet te scheiden van elkaar (elk gedrag is een geheel);
- dat ofwel het uiterlijke ofwel het innerlijke aspect domineert
uiterlijk breukverhouding
innerlijk
- dat het verklaren van menselijk gedrag betrekking heeft op de concrete prikkel / situatie (context/milieu).

Taak 4<klik

 

3. OPBOUW VAN DE GEDRAGSSITUATIE

De fysische component is direct waarneembaar (bijv. constitutie, stemtimbre, verschijningsvorm) .
Het uiterlijk gedrag is het topje van de (gedrags)ijsberg.

Het innerlijk aspect omvat

de fysiologische component (hersengolfpatronen, chemische reacties, verteringsproces, hartwerking, hormonale werking, ademhaling ... indirect waarneembaar via apparatuur);

het psychische aspect : zintuiglijk waarnemen, geheugen, verbeelding, behoeften, driften, aandacht, concentratie, motivatie, interesses, waarden en normen, persoonlijk verleden, verstand, het bewuste, het onbewuste ...

Context (socio-economisch, opvoedingssituatie, complexiteit van de job, bepaalde personen, objecten, tijd, locatie, . ).

Analyseer de componenten (S, S', R', O.) van het gedragsschema p. 5.
Welke component is tot nu toe nog niet expliciet belicht? (=> 4)

4. Elk gedrag is een zinvol (betekenishebbend) gedrag.

Elk gedrag is een zinvolle gedragsreactie op een situatie. (gedragsomgeving)
Elk gedrag is een zinvolle reactie op een zinvolle situatie.

'Situatie' kan een uiterlijk waarneembare situatie zijn ofwel
een inwendige prikkel (stimulus) van fysiologische
of psychische aard.

De mens kan de prikkel ook oproepen of uitstellen.
Niet elke aanwezige prikkel is voor iedereen of altijd een zinvolle prikkel: persoonsgebonden en milieugebonden aspect van het menselijk gedrag.

Verklaring van gedrag is niet te vinden in de persoon die zich gedraagt of in de prikkel waarop de mens reageert maar in de verwevenheid en interactie tussen persoon en concrete prikkel of situatie. De prikkel kan komen van buiten maar ook van binnen in.
De context (milieu of situatie of leefwereld) speelt een cruciale rol in het zich gedragen.

 

TAAK 5:

Stress op het werk wordt veroorzaakt niet op de eerste plaats door de baas maar door emails en door multitasking. Hoe komt het dat er geen eenvormig standpunt is van het personeel inzake werklast?

 Print deze ingevulde tekst uit indien je het antwoord achteraf nog wil bekijken of verderzetten.


5. Een gewoon gedrag kan ontrafeld worden tot een reeks deelgedragingen. Gedrag is een dynamisch gegeven. Gedrag evolueert (=gedraging als proces).
VB.

6.
a. Eenzelfde gedrag kan verschillende interpretaties krijgen.

Voorbeelden:

b. Verschillende gedragingen kunnen hetzelfde betekenen.
Voorbeelden:

7. Er zijn interindividuele gelijkenissen en interindividuele verschillen mogelijk.
a. Mensen stellen vaak eenvormige gedragingen (gewoonten, sterk cultuurgebonden, ...).
Voorbeelden:

b. Mensen stellen unieke gedragingen: typisch persoonsgebonden
(komt tot uiting in de expressiviteit, karakter, ambitie, bewegingsdrang, intelligentie, verleden ...).

 Klik en maak geïllustreerde verwerkingsoefeningen op het gedragsschema, dus om het schema diepgaand(er) te verstaan.
 Klik en maak kindgerichte TOEPASSINGEN op het gedragsschema

8. De wetenschappelijke studie van de psycholoog: welke bril zet de wetenschapper op bij de studie van het gedrag? welke werkwijzen wordt gehanteerd? op welke terreinen actief?

* Domeinen:
Algemene psychologie: perceptieleer, leerpsychologie, motivatiepsychologie, ...
Toegepaste psychologie: klinische, bedrijfs-, sociale , ontwikkelingspsychologie.
* Er bestaan stromingen in de psychologie als wetenschap:
bijv. gestaltpsychologie/behaviorisme/psychoanalyse/humanistische psychologie ...
* Methodologie in de psychologie :
Verschillende vorm van psychologisch onderzoek:
- theoretisch onderzoek
- exploratief onderzoek
- toetsingsonderzoek.

Methoden:

observatie en analyseren van menselijke omgang /

beeldmateriaal/

test /

experiment /

interview / vragenlijst /

handschrift /

biografisch materiaal /

materiaalstudie ...


terug naar index opvoedkunde 1AV/VV

 

P. Timmermans © 2008