http://filos.dlo.khleuven.be/opvoedkunde1AV

terug

PSYCHOLOGIE VAN DE WAARNEMING

in functie van leren observeren

 

WAARNEMING = ZINVOLLE INTERACTIE tussen Persoon (blackbox) en Situatie (S).

We vinden iemand leuk. Klik > blondjes en baarden.

 

Waarnemen is méér dan het PASSIEF opnemen van prikkels (de input). WAAROM?

 Waarnemen is
het opbouwen van betekenissen
Selectieve interpretatie
We zoeken prikkels op +
Selectieve aandacht

 
top-down
betekenis geven
 Automatisch groeperen we in ons waarnemingsveld de prikkels

 
GESTALTwaarneming
= spontane organisatie van de prikkels tot een geheel
Gestalt is meer en anders dat de optelsom van de onderdelen
 Waarnemen is een fysiologisch proces: zintuigen registreren enkel prikkels met voldoende sterkte en onderling onderscheid.
De tijdsfactor speelt een rol.
(sensorische aanpassing of overbelasting)

 

 

bottom-up
gewaarwording van de fysische prikkels

Klik > TOEPASSINGSOEFENING: toeristen filmen verdrinkende moeder

 

WAARNEMEN = EEN SUBJECTIEF EN COMPLEX PROCES

complex =

Niet één oorzaak maar meerdere oorzaken zijn verantwoordelijk voor menselijk gedrag.

Ook de situatie speelt daarin mee.

subjectief =

Betekenisopbouw gebeurt subjectgebonden vanuit

- voorkennis, voorgeschiedenis van de observator
- te weinig informatie aanwezig of gezocht (oppervlakkig, voorbarig waarnemen)
=> langdurig observeren
=> alle aspecten in rekening nemen
- vooringenomenheid / eerste indruk, stereotypen (etiketteren) => onbevooroordeeld observeren
- verwachtingen, normen en waarden van de observator (positieve of negatieve ) => openheid in de observatie
- motivatie en doelstelling van de observator

- context verrekenen => het totale plaatje = ook observeren in andere situaties

- groepsdruk (neiging tot conformisme) => o.a. gericht, systematisch observeren
- cultuur en opleiding => deskundigheid
- sociale afkomst: geen enkel gedrag is geïsoleerd te bekijken => betrokkenheid, inleving
- waarnemingsschema's (mindmaps): dienen om bv. figuur op de achtergrond te plaatsen => bewust worden van eigen cognitieve schema's in de waarneming
- de aanwezigheid van de observator: voordeel/nadeel
verandert de beleving van de zich gedragende mens
- de participerende observator: uitlokken van gedragsreacties vs. veranderen van gedragssituatie

 

= > Er ontstaan problemen en fouten in de waarneming (bottom-up vs topdown)

interne en externe attributiefouten.

Wanneer gaan we intern attribueren? Wanneer schrijven we het geobserveerde gedrag toe aan de persoon of de omgeving?

Attribueren = afhankelijk van
1. Is het gedrag van deze persoon in eenklank met een andere situatie? (consistent gedrag)
2. Gedraagt de persoon zich hier zoals de anderen? (consensus gedrag)
3. Gedraagt de persoon zich op deze manier eenmalig of altijd zo? (onderscheiden gedrag)

Wanneer we bv. een leerling, die we observeren, kennen, is onze waarneming het minst vertroebeld als de informatie systematisch, objectief opgebouwd wordt.

Hebben we van de leerling een onvolledige of oppervlakkige waarneming, dan zijn attributiefouten (aan welke oorzaak ligt het?) niet te vermijden.
Bv. We hebben in ons attributieproces (= betekenistoekenning) de neiging om één oorzaak op te blazen.
Behoren we tot de eigen groep (in-group) dan schrijven we gemakkelijker positief gedrag toe aan de persoon (interne attributie).


Telkens is de attributie anders:

 Bij het waarnemen van EIGEN GEDRAG

 

 

positief / succesvol gedrag => ik zie de oorzaak in MIJ

negatief gedrag (mislukking) => ik zie de oorzaak buiten mij: de buitenwereld

 Bij het waarnemen van ANDERMANS gedrag

Behoort de andere tot de in-group

 

 

Behoort de andere tot de out-group

 

 

succesvol G => de persoon
mislukt G = > de omgeving

 

succesvol G => de situatie
mislukking => de persoon

Toepassing 1

Adolescent: Ik ben te dik.

Situeer de betekenistoekenning (attributie).

Toepassing 2

Adolescent: Ik kan toch niet volgen.

Situeer de betekenistoekenning (attributie).

Toepassing 3

Hoe zien we "toffe" leerlingen in de klas? Welke zijn de valkuilen?

(kijk naar top-down + attributiefouten)

OBSERVATIEKAART

Zoek een situatie (vrij te kiezen) waarin een een jongere (leeftijd vrij te kiezen) een psychologisch interessant gedrag ontwikkelt. Noteer eerst je eerste indruk. Heb je geen eerste indruk, dan heb je vast wel een probleemstelling of observatiemotief. Noteer de concrete gedragssituatie. Koppel de interpretatie aan de geobserveerde feiten én aan de context. Vermijd veralgemeningen op basis van te weinig of eenmalig gedrag. Doorbreek, bevestig of nuanceer je eerste indruk in het besluit. Het besluit is het resultaat van de geïnterpreteerde waarnemingsgegevens. Eindig met een korte zelfreflectie. Wat betekende deze opdracht voor jou?

BREED OBSERVEREN

 


All rights reserved © P. Timmermans 2005 - 2006 - 2007 -2008 -2009

terug