http://filos.dlo.khleuven.be/opvoedkunde1AV

P. Timmermans

 

PEUTERFASE

hulp bij het efficiënt omgaan met het studieboek FELDMAN

terug

TOEPASSING

1. FYSIEK ASPECT

Hoofdzaken:
* LOPEN (coördinatie en flexibiliteit)
(bijna) alles in handbereik => wereldbeeld van het kind verandert
* TAALVERWERVING => hetgeen afwezig is in mijn gezichtsveld kan ik mentaal oproepen
* INTENTIONEEL HANDELEN (intelligentie) experimenteren kan al op voorstellingsniveau

fysieke ontwikkeling
grotere toename in lengte dan in gewicht (babyvet weg)
toenemende beweeglijkheid
grove motoriek: genderverschillen
fijne motoriek: genderverschillen ontw. linkshandigheid - rechtshandigheid
controle op het bewegen en lopen - ingewikkelder bewegingspatronen
oog-hand coördinatie zelfstandig eten -
nergens van af kunnen blijven: experimenteerruimte (relatief) vs duidelijke regels
casus: kindertekeningen verraden ontwikkelingsfase

zindelijkheidstraining: rond 2 à 3 jaar overdag en rond 3 à 4 jaar 's nachts

2. COGNITIEF ASPECT

heeft al sensomotorische schema's opgebouwd (bv. grijpschema)
=> toepassing op nieuwe situaties => logica van het handelen (=> logisch denken)
=> soms ondoelmatig

2 j: verder stadium van objectpermanentie
vloed van innerlijke voorstellingen (fantasie) => assimilatie en accomodatie

ruimte en tijd krijgt mentaal structuur:

peuter is nog geen architect of geschiedkundige maar kan al gestructureerd door de kamers van de woning hollen (ruimtebesef)

en kent de eigen dagindeling (tijdsbesef)

peuterfase = het begin van preoperationeel denken volgens PIAGET

cognitieve ontwikkeling is gekoppeld aan taalontwikkeling

het voorstellingsvermogen (representatievermogen) overstijgt het waarnemen
1. uitgestelde imitatie
2. fantasiespel: doos als boot, bedje, huis enz.
3. tekenen
4. gevestigde objectpermanentie: in de geest kunnen houden van object zonder direct om te zetten in nabootsen
5. iets kunnen oproepen dmv taal (symboolsysteem)

assimileren van sensomotorische schema's zonder de denkstructuren aan te passen (= accomoderen) hoe? fantasieën heel letterlijk nemen (bv. dromen als echt beleven, bv. zwaaien naar elk vliegtuig want papa is op reis met het vliegtuig)

de dingen zijn niet zoals de peuter het zich voorstelt: valentietoekenning van betekenissen wordt gekleurd door de eigen voorstellingen

PIAGET onderzocht intensief het denken van peuters en kleuters:
centratie,

geen transformatie,

egocentrisme

VANDAAR > nog onvermogen tot conservatie in de peuterfase

Preoperationeel denken 2-6 à 7 jaar volgens PIAGET:

2-4j : preconceptueel denken
preconcepten: bv. poes= die poes
of oververalgemenen: een tijger is een poes

begrippen (concepten) zijn denkinhouden die niet verwijzen naar de realiteit maar naar (een combinatie van) eigenschappen van de concrete werkelijkheid

een begrip kan je niet waarnemen: een veronderstelt het vermogen om te kunnen veralgemenen en discrimineren (abstractie maken van concrete kenmerken)
bv. fles verschillende grootte, vorm en kleur
bv. groen kikker maar groen kan ook kleur zijn van pull, boek, gras, bomen enz.

cognitieve ontwikkeling volgens informatieverwerkingstheorie


het geheugen van de peuter is al goed ontwikkeld (herinneren) maar hij is nog niet echt in staat om selectief in te prenten: het geheugen is als een spons
(heeft dit met een gebrek aan metacognitie te maken?)


taalontwikkeling
de peutertijd is de periode waarin de taal echt doorbreekt
vroeglinguale fase
éénwoordzin - tweewoordenzin - meerwoordenzin (2 tot 2,5) - voorzetsels -
aangroei woordenschat
grote individuele verschillen
sociale omgeving speelt grote rol (dialect, ...)

kwestie: meerdere talen leren?
native speaker is dezelfde
voordeel: selectieve aandacht en cognitieve flexibiliteit

sociale ontwikkeling
een baby en peuter moet zich kunnen hechten aan iemand (anders een vat zonder bodem)
intensieve band met nabije volwassene(n): peuter voelt zich geamputeerd als de vertrouwde volwassene uit de buurt is
peuter wordt meer en meer ik (groei naar individuatie)
peuter leert zich ont-hechten: scheidingsangst overbruggen via bv. knuffel

gezelschap van anderen: parallelspel (in dezelfde ruimte apart spelen is plezierig)

TV als 'behang' en als opvoedingsfactor in de ontwikkeling

 

3. AFFECTIEF / SOCIAAL-EMOTIONEEL ASPECT : PERSOONLIJKHEIDSASPECT

groeiend zelfbewustzijn cfr. voor de spiegel (zie CD-ROM)
ik tegenover de 'grote' mensen
afgunst, medelijden, droevig, blij
koppigheidsfase: ikke
tegen afhankelijkheid, toenemende zelfstandigheid

voorbeeldgedrag en regulatoren spelen enorme rol (bv. zindelijkheid, taal, emoties, voordoen)

ERIKSON: schaamte door het vele berispen en twijfel door het vele falen => dit conflict moet de peuter overwinnen => autonomie
bv. tegen de tafelrand stoten
bv. vele voorvalletjes van spiercoördinatie-ontwikkeling RISICO's

 

VYGOTSKY (actueler dan ooit)

zone van de nabije ontwikkeling (toepassingen: videofragmenten)

cognitieve vaardigheden doen overnemen (wanneer zijn ze eraan toe?)
scaffolding: milieu beïnvloedt sterk de ontwikkeling
cultureel bepaald / milieu invloed
shaping via cultuur (kneden van de ontwikkeling)

ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGISCHE TOEPASSING


terug

naar de KLEUTERfase