http://filos.dlo.khleuven.be/opvoedkunde1AV

P. Timmermans

terug

ONTWIKKELING ANTHROPOSOFISCH BEKEKEN

Ontwikkelingsvisie van Rudolf STEINER

Klik > CASUS

In de antroposofie beschouwt men de mens niet als een wezen dat slechts lichamelijk geboren is en uit dat lichaam bepaalde geestelijke eigenschappen ontwikkelt die er door erfelijkheid ingelegd zijn. De mens is een wezen, dat deelneemt aan twee werelden, aan een stoffelijk-lichamelijke én aan een goddelijk-geestelijke.

Het kind komt ter wereld met een door de erfelijkheid gevormd lichaam én met een geestelijke individualiteit, een geestelijk wezen met een eigen geestelijke structuur. Hier gaat men uit van een menselijke lichamelijke en geestelijke levensontplooiing waarin een genetische en een biografische potentialiteit werkt. Deze openbaart zich in het bewustzijn als het 'ik' (onze diepste wezenskern). In de psyche wordt het 'ik' als realiteit beleefd.

Uit het lichamelijke gebied stijgen de levensdriften en begeerten op en zoeken naar bevrediging. In de ziel dringen zij binnen en worden daar beleefd. De menselijke geest (psyche) ontvangt dus impulsen uit twee werelden:

- uit de lichamelijke wereld door de begeerten en de zintuigen;
- uit de geestelijke wereld door het ik.

Geest (ik) en stof (lichaam) ontmoeten elkaar in een middengebied: de menselijke ziel (psyche). Dit middengebied is het studiegebied van de psychologie. De mens verschijnt zodoende als een drie-eenheid, met lichaam, ziel en geest.

Steiner onderscheidt drie grote fasen, die ieder weer in belangrijke tussenstadia te verdelen zijn :

- van de geboorte tot de tandenwisseling ( 0 tot 7 j.)

De gehele periode vóór het 7de jaar wordt vooral gebruikt voor fysiologische processen. Het kind richt zijn volle aktiviteit op de bouw van zijn lichaam. Het belangrijkste kenmerk van deze fase is de drang tot nabootsing.

Het kind leert zich oprichten, gaan, spreken en denken dank zij voorbeelden. Ook wat als sfeer, wat als morele ondertoon in zijn omgeving leeft, bootst het na en prent het zichzelf in. Opvoedend in deze fase is dus wat men doet, wat men als mens is.

- van de tandenwisseling tot de puberteit ( 7 tot 14 j.)

De tandenwisseling wijst op het begin van een nieuwe levensfase. De krachten die in de vorige fase voor de bouw van het organisme dienden, treden nu gemetamorfoseerd weer te voorschijn als geheugen, fantasie en denkkracht. Het kind ontwikkelt een denken dat niet meer uitsluitend associatief en benoemend is, maar dat sterk in beelden leeft. De imitatiedrang blijft nog voor alles wat gebaar en beweging is. De opvoeder moet in deze fase de in liefde nagevolgde autoriteit zijn die zich vooral bedient van het fantasievolle woord dat beelden weet op te roepen voor het kind.

- van de puberteit tot de volwassenheid
In deze fase maakt de jonge mens zich los van mens en wereld.

Alles wat koesterend en omhullend was, valt weg. Naakt en hulpeloos staat hij tegenover de harde, overweldigende realiteit. Maar tegelijkertijd ontwaken de drang en het vermogen om vanuit dit nulpunt een nieuwe, thans bewuste verbinding aan te gaan met de wereld. Deze drang en deze mogelijkheid uiten zich voornamelijk in het denken en het oordelen.

Het leerplan van de Vrije Scholen (Steinerscholen) volgt de hierboven beschreven ontwikkeling van het kind op de voet. Het vertoont in zijn structuur het karakter van een levend organisme, dat wel aan zekere wetmatigheden gebonden is, maar dat ontwikkelingsmogelijkheden bezit die in vrijheid door de pedagogen kunnen worden gehanteerd.

 

 

Rudolf Steiner (grondlegger van het antroposofische gedachtegoed) en het principe van de driegeleding van de mens vertaald in de opvoeding van de mens.

Zelf waarnemen is altijd van zeer groot belang. Daarom de vraag: wat kun je zelf waarnemen aan de buitenkant van een mens? (De binnenkant is veel gecompliceerder en moet even met rust gelaten worden.)

Je kunt een hoofd zien dat met de rest van het lichaam verbonden is, maar er ook duidelijk van is afgegrensd. Vervolgens zie je een romp die bij nader onderzoek bestaat uit een borsten een buikholte.

Ten slotte zijn er ledematen (extremiteiten) en geslachtsorganen.

Ja, zo simpel kun je, kijkend naar de buitenkant van een mens zelf iets van een driegeleding ontdekken.

Hoofd denken

Romp ritmeorganen voelen

Ledematen / geslachtsorganen willen

Het hoofd

In het hoofd zetelt als het ware het centrum van ons vermogen tot waarnemen, het zenuwsysteem. Door gebruik te maken van de hersenen kunnen we denken.

De romp (buik- en borstholte)

Binnen de romp bevinden zich drie orgaansystemen: longen, hart-bloedsomloop en spijsverteringskanaal. Kenmerk van alle drie de ogaansystemen die zich binnen borst- en buikholte bevinden is, dat ze ieder een eigen ritme vertonen: het ritme van de ademhaling (longen), het ritme van het hart en de stroming van het bloed (bloedsomloop) en het ritme waarin maag en darmen de spijsbrei door ons lichaam verplaatsen.

Al deze ritme-organen staan in zeer nauwe relatie tot ons gevoel (emoties). In ons gevoelsleven spelen immers ook tal van ritmische bewegingen. Het woord emotie stamt van het Latijnse woord emovere, dat in beweging komen betekent.

De onderpool (ledematen, geslachtsorganen)

In dit systeem spelen de stofwisselingsprocessen een overheersende rol. De (biochemische) stofwisselingsprocessen in ledematen en geslachtsorganen zijn vele keren intensiever dan die welke zich in de hersenen afspelen. Hersenweefsel is eigenlijk 'bijna dood'. In de ledematen en de geslachtsorganen is alles 'leven'.

Enkele praktische handreikingen

Als een kind te sterk in zijn bovenpool (hoofd/ zintuiglhersenen/denkprocessen) zit, ontstaan er meestal nerveuze (neurotische) klachten. Die klachten kunnen zich manifesteren als een soort doordrammerige eigenwijsheid en gelijk willen krijgen, alles beter weten en op de strepen staan.

Meestal roept zo'n overschot aan 'bovenpoolse activiteit' bij het kind een heftige emotionele reactie op bij de opvoeders. Mijn advies: niet doen, zelf het hoofd koel houden, want dat is nodig bij een kind met zo'n oververhitte bovenpool.

Als een kind teveel in zijn 'gevoelsgebied' (het ritme/ emotioneel gebied) zit, kan het chaotisch gedrag vertonen met als basis een teveel aan emotionaliteit. Hier helpt rustig praten, geruststellen en uitleggen (de bovenpool versterken en vertrouwen geven).

 

Als de onderpool te actief is, ontstaat er
meestal drift. In zo'n geval moet je én je hoofd koel houden én je emoties die opgeroepen worden in de koelkast zetten. Praten helpt in zo'n geval niets. Je gevoel tonen meestal ook niet. Dus: gewoon laten uitrazen, er bij blijven en 'gecontroleerd' meedoen. Dat wil zeggen: durf het driftvuurtje maar op te stoken, want des te eerder is het op- en uitgebrand. Maar wel: erbij blijven en de zaak op een relativerende, voor jezelf humorvolle wijze onder controle houden. Als kinderen nog klein zijn en ze vervallen in een té heftige activiteit van de onderpool (vertonen duidelijk driftgedrag), dan wil het bij kop en kont pakken en onder de koude douche zetten soms wonderbaarlijk helpen.

Door de stofwisseling in de extremiteiten zeer plotseling heftig te beinvloeden (het koude water), verandert er direct veel in die onderpolige activiteit. Het teveel aan onderpolige activiteit (zich uitend als een vorm van drift) 'trekt samen', ja, normaliseert zich als het koude water de bloedsomloop in die extremiteiten plotseling sterk beinvloedt.

Het principe van de driegeleding is niet moeilijk te begrijpen en is goed herkenbaar voor iedereen die zich enige moeite wil getroosten het kind waar te nemen.

Je haalt ze er zo uit: de denkertjes, de gvoelsvogeltjes en de kindertjes met een driftmatige wilskracht.

Na verloop van een halfjaar leer je om te gaan met wat je eerst hebt moeten waarnemen. Via de mogelijkheid van afleiden en voorzichtig bijsturen (maar daar moet je best enige vaardigheid op basis van creatief omgaan met je kind voor ontwikkelen) bestaat de kans dat je, als het nodig is, iets kunt bijsturen, iets van evenwicht kunt aanbrengen in de té ver uit het evenwicht geraakte relatie tussen de drie wezensdelen van het kind.

Jaap HUIBERS, Opvoeden ... de kans voor je kinderen. (Ankertjesserie 238). Deventer, Ankh-Hermes. 1998, p. 69-73

ADOLESCENT MET KARAKTER

Sanguinisch: Essy is vijftien jaar, slank en goed geproportioneerd, met een rond, kinderlijk gezicht, lichtblond haar en bruine ogen die altijd in beweging zijn tot zij iets hebben gevonden waardoor ze gefascineerd worden. Ze houdt van het water en zwemt als een zeemeermin. Bij de lessen is zij nu eens wild enthousiast (vraagt, maakt luide opmerkingen en interrupties, gesticuleert), dan weer van een volledige apathie. Als ze terneergeslagen is, dan staart ze, zonder iets te zien, voor zich uit. Maar die toestand duurt nooit lang, hoogstens tot zij weer een jongen heeft ontmoet die dan weer alles ter wereld voor haar betekent. Deze wereldschokkende gebeurtenis doet zich vrij veel voor.

Toen zij elf jaar oud was, werd zij verliefd op een achttienjarige jongen, toen zij twaalf was, op een zeventienjarige. Als zij op het schoolplein de laatste grote liefde tegenkomt, verslindt zij hem gewoonweg met haar blikken. Momenteel dweept zij met een popmusicus en ze woont alle repetities bij, vaak tot laat op de avond. De ouders zijn aardige, keurige mensen, een beetje onzeker van zichzelf. Ze hebben wel eens onbeholpen pogingen gedaan om streng te zijn - met weinig succes. Als zij Essy vragen hoe die repetities verlopen antwoordt zij vriendelijk maar ontwijkend dat alles verschrikkelijk leuk is. Toen zij Essy op zekere dag wilden verbieden naar een repetitie te gaan, maakte zij een dusdanige scène, dat de ouders iedere poging in die richting hebben opgegeven.

Op school kan Essy goed meekomen, dank zij haar grote intelligentie en een behoorlijke dosis brutaliteit. Na herhaaldelijk door dezelfde leraar de klas uitgestuurd te zijn wegens storend gedrag, gaat ze naar huis, beschrijft de gebeurtenissen en de leraar in de schrilste kleuren - een volkomen verkeerd beeld - en haar ouders geloven haar, steunen haar zelfs. Pas langzamerhand komt de ware stand van zaken aan het licht. Als zij haar huiswerk niet heeft gemaakt, komt Essy vaak met de meest steekhoudende excuses. Worden haar beweringen gecontroleerd, dan blijkt het grootste deel ervan onwaarheid. Zij liegt op een volkomen onbevangen wijze. Wordt zij met de waarheid geconfronteerd dan schaamt Essy zich - maar dat gaat snel over. Vaak doet zij denken aan een ongrijpbaar natuurwezen. Maar zij geeft ook blijk van geheel andere en meer diepgaande trekken. Bij moeilijke beslissingen in het ouderlijk huis is zij vaak degene die de knoop moet doorhakken - waarbij zij uitermate ver-standig handelt. Als zij niet beïnvloed wordt door externe factoren, werkt zij opvallend energiek. Bij alle moeilijke problemen toont zij vaak heel duidelijk, behept te zijn met wat men gewoonlijk karakter noemt. Welke kant van haar wezen zal tenslotte de sterkste blijken: de onverantwoordelijke zeemermin of de ontkiemende ik-mens?

De vrije school. De pedagogiek van Rudolf Steiner in woord en beeld. Zeist, uitgeverij Vrij Geestesleven, Paperback versie 1992, p.89-91.

 

terug